ECLI:NL:RBNHO:2021:12506

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
23 december 2021
Publicatiedatum
14 januari 2022
Zaaknummer
C/15/322869 / FA RK 21-5866
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • VerLoren van Themaat-van der Hoeven
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 24 WzdArt. 26 lid 6 onder d Wzd
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing rechterlijke machtiging tot opname en verblijf van betrokkene met dementie

Het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) verzocht de rechtbank om een machtiging tot opname en verblijf van betrokkene, die lijdt aan een gevorderd dementiesyndroom. De rechtbank hield op 23 december 2021 een mondelinge behandeling via videoverbinding vanwege COVID-19 maatregelen, waarbij betrokkene, haar advocaat, een geriater, een arts in opleiding en een verpleegkundige werden gehoord.

De rechtbank beoordeelde of de medische verklaring van een klinisch geriater voldeed aan de eisen van de Wet zorg en dwang (Wzd). Gezien de expertise van de klinisch geriater achtte de rechtbank deze als ter zake kundig arts. Uit de stukken en de zitting bleek dat betrokkene ernstig nadeel ondervindt door haar aandoening, waaronder risico op lichamelijk letsel, psychische schade en maatschappelijke teloorgang.

De opname en het verblijf werden noodzakelijk geacht om dit ernstig nadeel te voorkomen, waarbij geen minder ingrijpende maatregelen mogelijk waren. Betrokkene verzette zich tegen opname, wat gezien het ziektebeeld en eerdere opnames reëel werd geacht. De rechtbank verleende daarom de machtiging voor zes maanden, tot en met 23 juni 2022.

Uitkomst: De rechtbank verleent een rechterlijke machtiging tot opname en verblijf voor betrokkene met dementie voor zes maanden.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Familie en Jeugd
locatie Alkmaar
rechterlijke machtiging tot opname en verblijf
zaak-/rekestnr.: C/15/322869 / FA RK 21-5866
beschikking van de rechtbank van 23 december 2021,
naar aanleiding van het door het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) ingediende verzoek tot het verlenen van een machtiging als bedoeld in artikel 24 van Pro de Wet zorg en dwang psychogeriatrische en verstandelijk gehandicapte cliënten (Wzd), ten aanzien van:
[betrokkene],
geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,
wonende te [woonplaats] ,
thans verblijvende in [verblijfplaats] ,
hierna te noemen: betrokkene,
advocaat: mr. A. Spel te Alkmaar.

1.Procesverloop

1.1.
Bij verzoekschrift ingekomen ter griffie op 6 december 2021 heeft het CIZ verzocht om afgifte van een rechterlijke machtiging ten aanzien van betrokkene.
Bij het verzoekschrift zijn de volgende bijlagen gevoegd:
- het indicatiebesluit van 23 november 2021;
- de medische verklaring, opgesteld en ondertekend door klinisch geriater [klinisch geriater] , van 24 november 2021;
- de aanvraag voor een rechterlijke machtiging van 15 november 2021;
- een brief met daarin de rapportage van de verpleegkundigen van het Dijklander Ziekenhuis van 25 november 2021.
1.2.
De mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 23 december 2021. Hoewel uitgangspunt binnen de Wzd is – mede gelet op de kwetsbare positie van betrokkene – dat betrokkene fysiek wordt gehoord, acht de rechtbank dat op dit moment niet verantwoord vanwege de ontwikkelingen rondom het coronavirus. De rechtbank sluit hiermee aan bij de landelijke maatregelen ter beperking van de verspreiding van het virus.
De zitting heeft daarom via een tweezijdige beeld- en geluidsverbinding plaatsgevonden.
De rechtbank is van oordeel dat het belang van betrokkene om verweer te kunnen voeren, afdoende is gewaarborgd door deelname van de advocaat aan de zitting en de eigen inbreng van betrokkene.
1.3.
Ter zitting heeft de rechtbank de volgende personen gehoord:
- betrokkene, bijgestaan door haar advocaat;
- de heer [A] , geriater;
- mevrouw [B] , arts in opleiding tot specialist;
- [verpleegkundige] , verpleegkundige.
2. Beoordeling
2.1.
Op grond van artikel 26, zesde lid, onderdeel d, Wzd legt het CIZ bij het verzoek tot het verlenen van een machtiging een verklaring over van een ter zake kundig arts die de betrokkene met het oog op de machtiging kort tevoren heeft onderzocht, maar ten minste gedurende één jaar geen zorg heeft verleend aan betrokkene en ten opzichte van de zorgaanbieder onafhankelijk functioneert. In het onderhavige geval is bij het verzoek van het CIZ een medische verklaring overgelegd van klinisch geriater [klinisch geriater] . Om te bepalen of de medische verklaring volstaat, moet worden overwogen of een klinisch geriater als een ter zake kundig arts kan worden gezien.
2.2.
Uit de memorie van toelichting van de Wzd blijkt dat wanneer het gaat om iemand met een psychogeriatrische aandoening – vaak dementie – een verpleeghuisarts of sociaal geriater deskundig wordt geacht om de medische verklaring op te stellen (Kamerstukken II 2008/9, 31 996, nr. 3, p. 66). In het verzoekschrift heeft het CIZ naar voren gebracht dat klinische geriatrie een erkend medisch specialisme is gericht op diagnostiek en behandeling van de oudere patiënt met meervoudige problematiek. Klinisch geriaters werken onder meer in de complexe patiëntenzorg, waarbij zij intensief samenwerken met andere zorgprofessionals.
2.3.
Gelet op de gegeven functieomschrijving is de rechtbank met het CIZ van oordeel dat betrokkene, gediagnosticeerd met dementie, onder de expertise van een klinisch geriater valt. De rechtbank is daarom van oordeel dat mevrouw [klinisch geriater] dient te worden aangemerkt als een ter zake kundige arts om een medische verklaring in de zin van de Wzd af te geven.
2.4.
Uit de overgelegde stukken en het behandelde ter zitting is gebleken dat betrokkene lijdt aan een psychogeriatrische aandoening, te weten dementiesyndroom gevorderd stadium.
2.5.
Dit leidt tot ernstig nadeel, te weten het bestaan van het aanzienlijk risico op:
  • ernstig lichamelijk letsel;
  • ernstige psychische schade;
  • ernstige verwaarlozing;
  • maatschappelijke teloorgang;
  • de situatie dat betrokkene met hinderlijk gedrag agressie van anderen oproept.
2.6.
De opname en het verblijf zijn noodzakelijk en geschikt om het ernstig nadeel te voorkomen of af te wenden.
2.7.
Er zijn geen minder ingrijpende mogelijkheden om het ernstig nadeel te voorkomen of af te wenden.
2.8.
Gebleken is dat betrokkene zich verzet tegen de opname en het verblijf. Op grond van de overgelegde stukken en de behandeling ter zitting is het de rechtbank duidelijk geworden dat betrokkene blijft aangeven dat zij naar huis wil. Hierbij heeft betrokkene tot voor kort afwerend gedrag en afwerend gedrag laten zien. Hoewel het verzet op dit moment alleen zo nu en dan mondeling wordt geuit, is gelet op het ziektebeeld en de eerdere opnames van betrokkene de door de geriater ter zitting geuite verwachting dat betrokkene bij de op korte termijn geplande overplaatsing opnieuw fysieke afweer en boosheid zal laten zien reëel te noemen. De rechtbank acht daarom een opname in het gedwongen kader noodzakelijk.
2.9.
Gelet op het voorgaande is voldaan aan de criteria voor verlening van een rechterlijke machtiging tot opname en verblijf als bedoeld in de Wzd. De machtiging zal worden verleend voor de (verzochte) duur van zes maanden, en geldt dus tot en met 23 juni 2022.

3.Beslissing

De rechtbank:
- verleent een machtiging tot opname en verblijf ten aanzien van [betrokkene] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ;
- bepaalt dat deze machtiging geldt tot en met uiterlijk
23 juni 2022.
Deze beschikking is gegeven door mr. VerLoren van Themaat-van der Hoeven, rechter, in tegenwoordigheid van mr. L. Jense als griffier en in het openbaar uitgesproken op 23 december 2021.
De schriftelijke uitwerking van deze beschikking is vastgesteld op 13 januari 2022.
Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.