Eiseres, eigenaar van een bedrijf, vroeg op 27 november 2020 om verlenging van de Tijdelijke overbruggingsregeling zelfstandig ondernemers (Tozo fase 3). Verweerder wees de aanvraag op 17 december 2020 af en handhaafde dit in bezwaar. Eiseres stelde dat haar inkomen door de coronacrisis onder het sociaal minimum was gedaald, onderbouwd met een omzetverlies van €19.577,00 en geannuleerde opdrachten.
Verweerder betwistte dat sprake was van een inkomensdaling door corona en vond dat eiseres haar stellingen onvoldoende met concrete en verifieerbare gegevens had onderbouwd. De rechtbank overwoog dat het inkomen moet worden vastgesteld als netto winst uit onderneming en dat op grond van de Tozo alleen bijstand wordt verleend indien het inkomen daadwerkelijk door de coronacrisis is geraakt.
De rechtbank constateerde dat eiseres slechts een enkele e-mail overlegd had en geen verdere onderbouwing van het omzetverlies. Hierdoor was onvoldoende aangetoond dat haar inkomen daadwerkelijk was gedaald door corona. Daarom werd het beroep ongegrond verklaard en de afwijzing van de Tozo-verlenging bevestigd.