Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNHO:2021:12674

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
28 januari 2021
Publicatiedatum
24 februari 2022
Zaaknummer
9588756 \ WM VERZ 21-698
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 WAHVArt. 14 WAHV
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond verklaring beroep tegen boete wegens overtreding geslotenverklaring busbrug

Betrokkene kreeg een administratieve boete opgelegd wegens het handelen in strijd met een geslotenverklaring op een busbrug, bestemd voor een bepaalde categorie voertuigen. Betrokkene stelde dat de wettelijke responstijd van zes maanden was overschreden en dat de bebording onduidelijk was omdat hij deze niet had gezien.

De kantonrechter oordeelde dat de responstijd een termijn van orde is zonder gevolgen bij overschrijding. De stelling over onduidelijke bebording werd verworpen op basis van schouwfoto’s en rapporten waaruit bleek dat de borden goed zichtbaar waren geplaatst aan beide zijden van de busbrug, inclusief duidelijke C1-borden en waarschuwingsborden voor cameratoezicht.

Verder werd vastgesteld dat het voertuig van betrokkene het C-bord was gepasseerd, ondersteund door maandelijkse schouwrapporten van de verbalisant. De foto’s toonden voldoende de contouren van het voertuig. De boete werd daarom terecht opgelegd en het beroep ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het beroep tegen de boete wegens overtreding van de geslotenverklaring op de busbrug wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Bewind
locatie Zaanstad
Zaaknummer : 9588756 \ WM VERZ 21-698
CJIB-nummer : [nummer]
Uitspraakdatum : 28 januari 2022
Uitspraak op een beroep als bedoeld in artikel 9 van Pro de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (WAHV)
in de zaak van
naam : [betrokkene]

Het verloop van de procedure

Aan betrokkene is een administratieve sanctie (hierna te noemen: boete) opgelegd. Betrokkene heeft daartegen beroep ingesteld bij de officier van justitie. De officier van justitie heeft het beroep ongegrond verklaard. Tegen die beslissing is door betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter.
De zaak is behandeld op de zitting van 18 januari 2022. Op de zitting is de vertegenwoordiger van de officier van justitie verschenen (met behulp van een digitale verbinding via MS Teams). Betrokkene is ook verschenen. De kantonrechter heeft na de zitting uitspraak gedaan.

Overwegingen

De gedraging waarvoor de boete is opgelegd, luidt – kort omschreven – als volgt: handelen in strijd met geslotenverklaring in beide richtingen weg(gedeelte) bestemd voor bep. categorie voertuigen.
Betrokkene is het niet eens met de beslissing van de officier van justitie en heeft in het beroepschrift de gronden daarvoor aangevoerd.
Betrokkene stelt dat de officier van justitie de rechtvaardige/wettelijke responstijd van zes maanden heeft overschreden. Deze termijn betreft echter een termijn van orde, zodat de wet aan het overschrijden van deze termijn geen gevolgen verbindt.
Betrokkene stelt dat de bebording onduidelijk staat opgesteld aangezien hij deze niet heeft gezien. De kantonrechter overweegt dat deze stelling geen steun vindt in de stukken, waaronder de schouwfoto’s. Aangenomen moet worden dat de borden voor iedere weggebruiker goed zichtbaar zijn. De busbrug wordt genaderd door middel van een rotonde. Aan het begin van busbrug de Binding is aan beide kanten goed zichtbaar een bord C1 geplaatst, met een duidelijk leesbaar onderbord. Dit bord C1 wordt na ongeveer 100 meter herhaald. Ook is aan beide kanten een bord geplaatst dat erop wijst dat cameratoezicht plaatsvindt. Van iedere weggebruiker mag worden verwacht dat deze oplettend is op de aanwezige bebording. De kantonrechter is van oordeel dat betrokkene zich had moeten vergewissen of er een bord stond en dat de omstandigheid dat betrokkene dit heeft nagelaten, voor rekening en risico van betrokkene komt.
Tevens stelt betrokkene dat op de foto geen overtreding zichtbaar is.
De kantonrechter stelt echter vast dat aan de voorwaarden van de beleidsregels wordt voldaan. Op de foto’s die zich bij de stukken bevinden is weliswaar geen C-bord zichtbaar en evenmin dat het voertuig dat bord is gepasseerd, maar bij de stukken in het dossier bevinden zich wel schouwrapporten. Uit die schouwrapporten blijkt dat door de verbalisant maandelijks een schouw is gedaan, vóór en na de datum van de gedraging(en), en dat is vastgesteld dat het C-bord aanwezig was, zowel vóór het begin van de geslotenverklaring als bij de ingang van de geslotenverklaring. Het niet zichtbaar zijn van het bord op de foto is hiermee ondervangen. Daaruit volgt ook dat het voertuig van betrokkene het C-bord is gepasseerd. Aan de hand van die schouwrapporten heeft de officier van justitie voldoende onderbouwd dat ten tijde van de gedraging op 25 februari 2020 het C-bord was geplaatst en is gepasseerd.
De kantonrechter overweegt volledigheidshalve dat op de foto van de gedraging, waarop de kentekenplaat en de achterlichten zichtbaar zijn, de contouren van het voertuig hiermee voldoende zichtbaar zijn. Daarbij neemt de kantonrechter in aanmerking dat daarvoor genoeg is dat de omtrek of omtreklijn van het voertuig zichtbaar is.
De boete is naar het oordeel van de kantonrechter terecht opgelegd.
Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard.

De uitspraak

De kantonrechter:
‒ verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I.H. Lips, kantonrechter, bijgestaan door de griffier, en in het openbaar uitgesproken.
De griffier De kantonrechter
Tegen deze uitspraak kan op grond van artikel 14 WAHV Pro hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, binnen 6 weken na de hieronder vermelde dag van toezending. Hoger beroep is in beginsel alleen mogelijk als de boete in de uitspraak is bepaald op een bedrag van meer dan € 70,00. Het beroepschrift moet worden verzonden aan de afdeling Kanton van de rechtbank Noord-Holland, Postbus 251, 1800 BG Alkmaar. De wet gaat uit van een geheel schriftelijke procedure in hoger beroep, tenzij door u bij het beroepschrift uitdrukkelijk om een mondelinge behandeling van de zaak is verzocht.
Het instellen van hoger beroep per e-mail is niet mogelijk.
Datum toezending: