Uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
[gedaagde],
1.De procedure
- de (verwijzings)beschikking van de rechtbank Den Haag van 24 februari 2021 gegeven onder rolnummer C/09/584874/HA RK 19-687 waarbij de zaak in de stand waarin deze zich bevond naar deze rechtbank is verwezen, om te dienen op de rolzitting van 21 april 2021;
- De akte toelichting eis/wijziging/vermeerdering van eis met producties van de zijde van [eiser]
2.De feiten
3.Het geschil
4.De beoordeling
21 april 2021,vertegenwoordigd door een advocaat. Naar de rechtbank constateert is uitsluitend [eiser] op voornoemde datum verschenen. Nadat ter rolle van 14 juli 2021 vonnis was bepaald op 25 augustus 2021 heeft zich op laatstgenoemde datum een advocaat namens [gedaagden] gesteld met het (volstrekt ongemotiveerde) verzoek om (alsnog) een conclusie van antwoord te nemen. Daarin kan niet worden bewilligd. Gelet op de duidelijke (rol)instructie in de verwijzingsbeschikking en de stand waarin het geding 4 maanden nadien is komen te verkeren, had het op de weg van [gedaagden] gelegen toe te lichten welke klemmende redenen eraan in de weg stonden dat zij zich op 21 april 2021 bij deze rechtbank meldde. Deze processuele houding van [gedaagden] verdraagt zich geenszins met doel en strekking van de Verordening op basis waarvan het geding door [eiser] destijds is ingeleid. Deze is immers gericht op een vereenvoudigde en versnelde rechtsgang ingeval van grensoverschrijdende niet betwiste geldvorderingen. In de bijbehorende preambule is onder meer het navolgende opgenomen:
2.491,00(1,0 punt × tarief € 2.491,00)