Uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
1.[gedaagde 1] ,
[gedaagde 2],
1.De procedure
2.De feiten
3.Het geschil
4.De beoordeling
3.540,00(2 punt × tarief € 1.770,00)
Rechtbank Noord-Holland
Eiser vordert terugbetaling van €115.000,- die hij in vijf deelbetalingen aan gedaagde 1 en gedaagde 2 heeft overgemaakt, stellende dat sprake is van een mondelinge geldleningsovereenkomst. De rechtbank stelt vast dat eiser en gedaagden broers en partner zijn en dat de betalingen verband houden met een aandelenoverdracht in 2016 en een dreigend faillissement van de onderneming Eurintro.
Gedaagden betwisten het bestaan van een lening en stellen dat de betalingen dienden om gaten in de boekhouding van Eurintro te dichten, waarbij de bedragen vrijwel direct via de ondernemingsrekening zijn teruggestort. Eiser heeft geen schriftelijke overeenkomst overgelegd en de betrokkenheid van gedaagde 2 wordt onvoldoende onderbouwd.
De rechtbank oordeelt dat eiser de bewijslast draagt en onvoldoende feiten en omstandigheden heeft gesteld om het bestaan van een geldleningsovereenkomst aannemelijk te maken. De vorderingen worden daarom afgewezen. Ook de vordering tot vergoeding van proceskosten wordt afgewezen wegens gebrek aan misbruik van procesrecht, maar eiser wordt wel veroordeeld in de proceskosten van gedaagden.
Uitkomst: De rechtbank wijst de vorderingen af wegens ontbreken van een overeenkomst van geldlening tussen partijen in privé.