De passagiers vorderden compensatie van British Airways wegens een vertraging van meer dan drie uur op hun eindbestemming, veroorzaakt door een schemawijziging van vlucht BA10 die de overstaptijd onder de minimale overstaptijd bracht. Zij baseren hun vordering op Verordening (EG) nr. 261/2004, artikel 7, die compensatie regelt bij annuleringen en langdurige vertragingen.
De rechtbank stelt vast dat de Nederlandse rechter bevoegd is en dat de passagiers voldoende hebben gesteld om hun claim te onderbouwen. De vervoerder heeft geen beroep kunnen doen op buitengewone omstandigheden met voldoende onderbouwing. Echter, de rechtbank oordeelt dat de Verordening geen grondslag biedt voor compensatie bij een schemawijziging, alleen bij annulering of langdurige vertraging.
Daarom wijst de rechtbank de vordering van de passagiers af en veroordeelt hen tot betaling van de proceskosten. De beslissing bevestigt dat schemawijzigingen niet automatisch leiden tot compensatie onder deze Verordening.