De passagiers vorderden compensatie van British Airways wegens een vertraging van hun vlucht BA216 van Washington DC naar Londen, waardoor zij hun aansluitende vlucht naar Amsterdam misten. De vertraging bedroeg meer dan drie uur op de eindbestemming. De vervoerder verweerde zich met het beroep op buitengewone omstandigheden, namelijk een instructie van het luchtverkeersbeheer om terug te keren naar de gate vanwege onweer en een sluiting van een deel van de luchthaven.
De rechtbank stelde vast dat de Nederlandse rechter bevoegd was en dat de vertraging in beginsel compensatieplichtig was volgens Verordening (EG) nr. 261/2004, tenzij sprake was van buitengewone omstandigheden. Uit het dossier bleek dat de instructie van het luchtverkeersbeheer specifiek voor het toestel gold en niet voor meerdere vluchten, waardoor dit als buitengewone omstandigheid werd aangemerkt.
Verder concludeerde de rechtbank dat de vertraging van vlucht BA216 direct leidde tot het missen van de aansluitende vlucht, en dat de vervoerder voldoende redelijke maatregelen had genomen, waaronder het inplannen van een overstaptijd met reservetijd en het omboeken naar de eerstvolgende vlucht. De vordering werd daarom afgewezen en de passagiers werden veroordeeld tot betaling van de proceskosten.