ECLI:NL:RBNHO:2021:1703

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
17 maart 2021
Publicatiedatum
1 maart 2021
Zaaknummer
8273847 \ CV FORM 20-580
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 lid 3 Verordening (EG) nr. 261/2004Art. 7 Verordening (EG) nr. 261/2004Art. 20 lid 2 Verordening (EG) nr. 861/2007
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Passagiers krijgen compensatie wegens vluchtvertraging ondanks staking

De passagiers hadden een vervoersovereenkomst met Transavia voor een vlucht van Amsterdam naar Sofia op 23 september 2019, die meer dan drie uur vertraging opliep. Zij vorderden compensatie van €800 op grond van Verordening (EG) nr. 261/2004. Transavia weigerde te betalen en beriep zich op buitengewone omstandigheden door een wilde staking van een afhandelaar op de luchthaven.

De kantonrechter stelde vast dat de Nederlandse rechter bevoegd was en dat de vlucht inderdaad meer dan drie uur vertraagd was aangekomen. De vervoerder moest bewijzen dat de vertraging het gevolg was van buitengewone omstandigheden en dat alle redelijke maatregelen waren genomen. Transavia overlegde een OCC Management Report waaruit een wilde staking bleek, maar gaf onvoldoende details over tijdstippen en locatie van de staking.

Hierdoor kon de kantonrechter niet vaststellen dat sprake was van buitengewone omstandigheden. Het beroep op doorwerking van deze omstandigheden werd verworpen. Transavia voerde verder geen verweer, zodat het verzoek tot compensatie werd toegewezen. De vervoerder werd tevens veroordeeld tot betaling van de proceskosten. Een certificaat voor de Europese procedure voor geringe vorderingen werd aan de beschikking gehecht.

Uitkomst: Transavia wordt veroordeeld tot betaling van €800 compensatie aan passagiers wegens vluchtvertraging.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Insolventie
locatie Haarlem
Zaaknr./rolnr.: 8273847 \ CV FORM 20-580
Uitspraakdatum: 17 maart 2021
Beschikking van de kantonrechter in de zaak van:

1.[passagier sub 1]

2.
[passagier sub 2]
beiden wonende te [woonplaats] (Bulgarije)
verzoekende partij
verder te noemen: de passagiers
gemachtigde: ClaimCompass Ltd.
tegen
de commanditaire vennootschap
Transavia Airlines C.V.
gevestigd te Schiphol
verwerende partij
verder te noemen: de vervoerder
gemachtigde: M. de Geus

1.Het procesverloop

Dit verloop blijkt uit:
  • het vorderingsformulier (formulier A), ingekomen ter griffie op 14 januari 2020 en het aangepaste formulier A, ingekomen ter griffie op 10 maart 2020;
  • het antwoordformulier (formulier C), ingekomen ter griffie op 15 juli 2020.

2.De feiten

2.1.
De passagiers hebben met de vervoerder een vervoersovereenkomst gesloten op grond waarvan de vervoerder de passagiers diende te vervoeren van Amsterdam naar Sofia (Bulgarije) op 23 september 2019, hierna: de vlucht.
2.2.
De vlucht heeft meer dan drie uur vertraging opgelopen.
2.3.
De passagiers hebben compensatie van de vervoerder verzocht in verband met voornoemde vertraging. De vervoerder heeft geweigerd tot betaling over te gaan.

3.Het verzoek en het verweer

3.1.
De passagiers verzoeken de vervoerder te veroordelen tot betaling van € 800,00 aan compensatie en de proceskosten.
3.2.
De passagiers baseren het verzoek op de Verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van de verordening (EEG) nr. 295/91 (hierna: de Verordening) en de daarop betrekking hebbende rechtspraak van het Europese Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof). De passagiers stellen dat de vervoerder vanwege de vertraging van de vlucht gehouden is compensatie te betalen conform artikel 7 van Pro de Verordening tot een bedrag van € 400,00 per passagier.
3.3.
De vervoerder betwist de verschuldigdheid van het verzochte. Op het verweer wordt - voor zover relevant - bij de beoordeling van het geschil ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
De kantonrechter stelt ambtshalve vast dat de Nederlandse rechter in deze zaak bevoegd is om van het verzoek kennis te nemen.
4.2.
Vast staat dat de passagiers met een vertraging van méér dan drie uur zijn aangekomen op de eindbestemming te Sofia. Op grond van de Verordening is de vervoerder in beginsel gehouden de passagiers hiervoor te compenseren, tenzij de vervoerder ingevolge artikel 5 lid 3 van Pro de Verordening kan aantonen dat de vertraging het gevolg is geweest van buitengewone omstandigheden en dat de vertraging, ondanks het treffen van alle redelijke maatregelen niet voorkomen had kunnen worden. Op grond van punt 14 van de Considerans van de Verordening kunnen dergelijke omstandigheden zich onder meer voordoen in geval van stakingen die gevolgen hebben voor de vluchtuitvoering van de luchtvaartmaatschappij die de vlucht uitvoert.
4.3.
De vervoerder voert aan dat sprake is van een buitengewone omstandigheid als hiervoor bedoeld, te weten een wilde staking van “een afhandelaar op de luchthaven”, waardoor de voorgaande vlucht van Verona naar Amsterdam is vertraagd. Zij heeft ter onderbouwing van de door haar gestelde buitengewone omstandigheden een ‘OCC Management Report’ van de vervoerder zelf overgelegd, waaruit blijkt dat de vlucht voorafgaand aan de onderhavige vlucht, van Verona naar Amsterdam, is vertraagd ten gevolge van ‘unforeseen wild handling strike’.
4.4.
Naar het oordeel van de kantonrechter heeft de vervoerder hiermee onvoldoende aangetoond dat de vertraging van de (voorgaande) vlucht het gevolg is geweest van buitengewone omstandigheden. De vervoerder heeft nagelaten te vermelden hoe laat de voorgaande vlucht gepland stond om te vertrekken en te landen, van hoe laat tot hoe laat de staking heeft geduurd en op welke luchthaven de staking plaatsvond (Verona of Amsterdam). Het is aan de luchtvaartmaatschappij om voldoende gegevens en onderbouwing te verstrekken, opdat de kantonrechter een oordeel kan vormen. Gelet op het voorgaande heeft de vervoerder niet aangetoond dat er sprake is geweest van buitengewone omstandigheden als gevolg waarvan de voorgaande vlucht is vertraagd. Van doorwerking kan dan ook geen sprake zijn. Het beroep van de vervoerder op (doorwerking van) buitengewone omstandigheden wordt dan ook verworpen. De kantonrechter komt daarom niet toe aan de beantwoording van de vraag of de vervoerder voldoende redelijke maatregelen heeft genomen om de vertraging te voorkomen.
4.5.
Nu de vervoerder voor het overige geen verweer heeft gevoerd, zal het verzoek tot betaling van de hoofdsom worden toegewezen.
4.6.
De proceskosten komen voor rekening van de vervoerder omdat zij ongelijk krijgt.
4.7.
Op verzoek van de passagiers zal een certificaat als bedoeld in artikel 20 lid 2 van Pro de Verordening (EG) nr. 861/2007 tot vaststelling van een Europese procedure voor geringe vorderingen aan deze beschikking worden gehecht.

5.De beslissing

De kantonrechter:
5.1.
veroordeelt de vervoerder tot betaling aan de passagiers van € 800,00;
5.2.
veroordeelt de vervoerder tot betaling van de proceskosten die aan de kant van de passagiers tot en met vandaag worden begroot op € 236,00 aan griffierecht en € 124,00 aan salaris gemachtigde.
Deze beschikking is gegeven door mr. C.E. van Oosten-van Smaalen, kantonrechter, en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter
Tegen deze beschikking staat geen hoger beroep open