ECLI:NL:RBNHO:2021:1761
Rechtbank Noord-Holland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Aftrekbaarheid van door eiser aan ex-partner betaalde onderhoudsverplichtingen
Eiser heeft in de jaren 2015 en 2016 betalingen gedaan aan zijn ex-partner, die hij als onderhoudsverplichtingen in aftrek wilde brengen bij zijn belastingaangifte. De Belastingdienst heeft deze aftrek geweigerd en navorderingsaanslagen opgelegd, stellende dat de betalingen niet gebaseerd waren op een afdwingbare familierechtelijke verplichting en dat de bedragen te veel afweken van de voorlopige voorziening.
De rechtbank stelt vast dat eiser en zijn ex-partner duurzaam gescheiden leefden sinds 2006 en dat er een juridisch afdwingbare zorgverplichting bestond op grond van artikel 1:81 BW Pro. De voorlopige voorziening van mei 2015 bevestigt deze verplichting. Hoewel de betalingen fluctueerden en afweken van het bedrag van € 2.000 per maand, was er een mondelinge afspraak tussen partijen dat eiser betaalde naar gelang zijn inkomen dat toeliet.
De rechtbank oordeelt dat de betalingen kwalificeren als periodieke uitkeringen voortvloeiende uit het familierecht en dus aftrekbaar zijn volgens artikel 6.3 Wet IB 2001. Betalingen na de inschrijving van de echtscheiding in oktober 2016 zijn niet aftrekbaar, omdat het echtscheidingsconvenant expliciet geen alimentatieverplichting bevat. De beroepen worden gegrond verklaard, de aanslagen verminderd en het betaalde griffierecht aan eiser vergoed.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep gegrond en vermindert de aanslagen 2015 en 2016 met aftrek van de onderhoudsverplichtingen.