Eiser, kleinzoon van de overleden huurder, vorderde voortzetting van de huurovereenkomst van zijn oma met Stichting Pré Wonen voor een wisselwoning. Hij stelde dat hij sinds 2005 zijn hoofdverblijf bij zijn oma had en met haar een duurzame gemeenschappelijke huishouding voerde, waarbij hij huishoudelijke taken verrichtte en financieel bijdroeg.
Pré Wonen betwistte dit en voerde aan dat eiser niet voldeed aan de wettelijke vereisten, waaronder het ontbreken van een huisvestigingsvergunning en onvoldoende bewijs van een duurzame gemeenschappelijke huishouding. De kantonrechter oordeelde dat eiser onvoldoende concrete feiten had gesteld en bewezen om aan te tonen dat hij zijn hoofdverblijf had in de woning en een duurzame gemeenschappelijke huishouding voerde.
De kantonrechter wees erop dat de inschrijving van eiser op het adres pas in mei 2019 plaatsvond, terwijl zijn oma daar al sinds oktober 2018 woonde, en dat ook andere kleinkinderen op dat adres stonden ingeschreven zonder aannemelijk bewijs van bewoning. Verder ontbrak bewijs van gedeelde woonkosten en wederkerigheid in de relatie. Ook beschikte eiser niet over een vereiste huisvestigingsvergunning.
Daarom werd de vordering afgewezen en werd eiser veroordeeld tot betaling van proceskosten. De tegenvordering van Pré Wonen tot ontruiming van de woning werd voorwaardelijk toegewezen, met ontruiming binnen 14 dagen na onherroepelijkheid van het vonnis.