Op 15 oktober 2020 werd verdachte op Schiphol aangehouden met een koffer waarin ruim 12 kilo cocaïne werd aangetroffen. Verdachte verklaarde de koffer voor iemand anders mee te nemen, zonder deze persoon te kennen, en zou hiervoor € 6.000,- ontvangen. De rechtbank stelde vast dat verdachte zich bewust was van de contrabande en dat hij willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaardde dat de koffer cocaïne bevatte.
De rechtbank oordeelde dat het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen is, waarbij sprake is van voorwaardelijk opzet op de invoer van de gehele hoeveelheid cocaïne. Verdachte voerde geen inhoudelijk verweer tegen de tenlastelegging.
Bij de strafoplegging hield de rechtbank rekening met de aard en ernst van het feit, de hoeveelheid cocaïne en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waaronder het ontbreken van eerdere justitiële contacten. Ondanks het verzoek van de verdediging om een lagere straf vanwege persoonlijke omstandigheden en de coronacrisis, volgde de rechtbank de vordering van het OM en legde een gevangenisstraf van 4 jaar op, met aftrek van voorarrest.