De passagier had een vervoersovereenkomst met de vervoerder voor een vlucht van Amsterdam naar Malaga op 30 augustus 2019, die meer dan drie uur vertraging opliep. De passagier verzocht compensatie van €400,- op grond van Verordening (EG) nr. 261/2004 vanwege deze vertraging. De vervoerder weigerde aanvankelijk te betalen, waarna de passagier op 12 maart 2020 een procedure startte.
De vervoerder stelde zich op het standpunt dat zij de compensatie reeds op 17 oktober 2019 aan de passagier had voldaan en overlegde een betaalbewijs. De kantonrechter stelde vast dat de Nederlandse rechter bevoegd was en oordeelde dat de procedure nodeloos was gestart omdat de compensatie reeds was betaald.
De vordering van de passagier werd afgewezen en de passagier werd veroordeeld tot betaling van de proceskosten ad €75,-. Tegen deze beschikking is geen hoger beroep mogelijk.