ECLI:NL:RBNHO:2021:2287
Rechtbank Noord-Holland
- Op tegenspraak
- Rechtspraak.nl
Vergoeding compensatie luchtvaartmaatschappij op grond van Verordening EG 261/2004 en BW
De zaak betreft een vordering van de luchtvaartmaatschappij Lot tegen Lufthansa, waarbij Lot betaling eist van compensatie die zij aan passagiers heeft voldaan op grond van artikel 13 van Pro Verordening (EG) nr. 261/2004. De passagiers hadden een vlucht geboekt die door Lufthansa werd uitgevoerd, maar vorderden compensatie van Lot, de ticketuitgevende maatschappij. Lot werd veroordeeld tot betaling aan de passagiers en vordert nu verhaal op Lufthansa.
Lufthansa betwist de vordering en voert aan dat de passagiers Lufthansa hadden moeten aanspreken binnen de vervaltermijn van twee jaar volgens artikel 8:1835 BW Pro, en dat artikel 13 Verordening Pro niet bedoeld is voor situaties waarin de verkeerde luchtvaartmaatschappij wordt aangesproken. Tevens stelt Lufthansa dat zij geen inhoudelijk verweer heeft kunnen voeren tegen de passagiersvordering en beroept zich op buitengewone omstandigheden.
De rechtbank oordeelt dat artikel 13 van Pro de Verordening het recht op verhaal op derden, zoals Lufthansa, niet beperkt en dat de vervaltermijn van artikel 8:1835 BW Pro niet van toepassing is op de vordering van Lot op Lufthansa. De rechtbank wijst de vordering van Lot toe tot betaling van € 800,- met wettelijke rente en veroordeelt Lufthansa tevens tot betaling van proceskosten en nakosten. De vordering voor het overige wordt afgewezen.
Uitkomst: Lufthansa wordt veroordeeld tot betaling aan Lot van € 800,- compensatie met rente en proceskosten.