ECLI:NL:RBNHO:2021:2405
Rechtbank Noord-Holland
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening urgentieverklaring bij verhuur door familielid
Verzoeker huurde een woning van zijn vader en vroeg om een urgentieverklaring omdat zijn vader de woning wilde verkopen, waardoor hij niet meer kon blijven wonen. Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Waterland wees het verzoek om urgentie af omdat er geen sprake was van een huisvestingsprobleem; verzoeker kon aanspraak maken op huurbescherming.
De voorzieningenrechter oordeelde dat het bezwaar van verzoeker niet kansrijk was. Volgens artikel 2.6.5, eerste lid, onder c van de Huisvestingsverordening wordt geen urgentie verleend als het huisvestingsprobleem redelijkerwijs voorkomen of op een andere wijze opgelost kan worden. De rechter vond dat van verzoeker verwacht mocht worden dat hij zijn vader als verhuurder aanspreekt en zich beroept op huurbescherming.
Hoewel begrip was voor de moeilijke positie van verzoeker, moest hij de keuze om dit niet te doen voor eigen rekening nemen. Het is niet redelijk om de gevolgen van mogelijke dakloosheid op de gemeenschap af te wentelen. De belangenafweging van verweerder werd als redelijk beoordeeld. Ook was onvoldoende onderbouwd dat sprake was van een bijzondere hardheid die een uitzondering zou rechtvaardigen.
Daarom werd het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen en werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak stond geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat verzoeker zich kan beroepen op huurbescherming jegens zijn vader.