De rechtbank Noord-Holland behandelde op 1 april 2021 een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel van €247.842, later bijgesteld tot €224.935, aan veroordeelde die was veroordeeld voor hennephandel en het bezit van hennep. De ontnemingsperiode besloeg 1 januari 2010 tot en met 30 juni 2013.
De berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel was gebaseerd op een eenvoudige kasopstelling waarbij contante inkomsten en uitgaven werden vergeleken. De verdediging voerde aan dat veroordeelde legale inkomsten uit zijn growshop had en dat de administratie niet op orde was, maar de rechtbank stelde het negatieve inkomen uit de onderneming op nihil en corrigeerde diverse posten, waaronder dubbele huurkosten en een onterecht opgenomen autokostenpost.
De rechtbank concludeerde dat veroordeelde in de onderzoeksperiode €128.881 meer had uitgegeven dan verklaard kon worden uit legale inkomsten, wat alleen verklaard kon worden door criminele inkomsten. De ontnemingsmaatregel werd opgelegd op grond van artikel 36e Sr, met een gijzelingstermijn van maximaal 1080 dagen bij niet-betaling. De rechtbank achtte niet aannemelijk dat veroordeelde onvoldoende draagkracht heeft om te betalen.