Uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
1.Tenlastelegging
2.Voorvragen
4.Kwalificatie en strafbaarheid van het feit
5.Strafbaarheid van verdachte
6.Motivering van de straf en de maatregel
drillrapproduceren en zich bezig houden met criminele activiteiten en rookt hij dagelijks cannabis.
Gezien zijn beperkte vermogens tot inzicht in gedrag en risico’s, zijn chronische cannabisgebruik en de - mede vanuit de antisociale persoonlijkheidsstoornis en zwakbegaafdheid te verklaren - gebrekkige adequate coping, kan er bij bewezen geacht feit, van enige doorwerking worden gesproken. Geadviseerd wordt om betrokkene het ten laste gelegde (bij bewezen geacht feit), in verminderde mate toe te rekenen.
De antisociale persoonlijkheidsstoornis in combinatie met zijn zwakbegaafdheid maakt betrokkene kwetsbaar voor riskant en impulsief gedrag, voor antisociale keuzes en voor middelenmisbruik (cannabis), wat de problematiek versterkt. Resumerend maakt dit dat de kans op herhaling van een vergelijkbaar feit als hem thans ten laste is gelegd - bij bewezen geacht feit - als hoog wordt ingeschat.
copingvaardigheden, het adequaat reguleren van zijn emoties, het ombuigen van disfunctionele cognitieve schema’s en werken aan zijn cannabismisbruik, geïndiceerd. Betrokkene zegt zelf open te staan voor hulp, maar bij doorvragen lijkt hij geen hulpvraag te hebben, behoudens het volhouden van het stoppen met blowen. De antisociale persoonlijkheidsproblematiek, in combinatie met zwakbegaafdheid, hechtingsproblemen en verslavingsgevoeligheid maken dat er een indicatie is voor (forensische) zorg. Hulpverlening die zich zowel op de persoonlijkheidsproblematiek (bijvoorbeeld middels schematherapie), zwakbegaafdheid (voornamelijk praktisch van aard), als op verslaving en resocialisatie (forensische expertise) richt wordt hierbij belangrijk cq noodzakelijk geacht. In acht dient te worden genomen dat verdachte nauwelijks ziekte-inzicht heeft. Hij is dan ook niet gemotiveerd voor een behandeling van de ‘niet bestaande’ problemen. Bij aanvang van een behandeltraject dient ziekte-inzicht en motivatie de belangrijkste pijler te zijn. Zonder voldoende behandelmotivatie is het effect van behandeling miniem. De kans dat hij op vrijwillige basis een ambulante behandeling zal volgen wordt om bovenstaande redenen zeer klein geacht.
De voorbeschreven persoonlijkheidsstoornis in combinatie met de zwakbegaafdheid en het cannabismisbruik vereisen een gestructureerde behandeling teneinde de kans op herhaling in agressief gedrag te verlagen. Het gebrek aan een besef van de problematiek, van de noodzaak van een langdurige behandeling en van de noodzaak van het accepteren van zeer langdurige professionele hulp, maakt dat behandeling dient plaats te vinden in een strak kader.
Gelet op de noodzaak om een langdurig en strak gedwongen kader te bieden voor de behandeling van betrokkenes stoornissen, met het oog op de hoge recidivekans en gelet op de ernst van het ten laste gelegde, wordt geadviseerd om betrokkene de maatregel TBS op te leggen.
In 2017 werden geadviseerde behandeltrajecten in een voorwaardelijk of ambulant kader niet haalbaar geacht. Een destijds geadviseerde PIJ-maatregel is niet opgelegd en betrokkene heeft geen behandeling voor zijn antisociale persoonlijkheidsproblematiek gekregen.Een TBS in een voorwaardelijk kader wordt door onderzoeker als moeilijk haalbaar geacht. Op de terechtzitting heeft de deskundige [deskundige 3] dit aldus aangevuld dat zij adviseert om de maatregel terbeschikkingstelling met dwangverpleging op te leggen, ten uitvoer te leggen in een FPC met beveiligingsniveau 4.
7.Onttrekking aan het verkeer
9.Vordering benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel
9.Toepasselijke wettelijke voorschriften
10.Beslissing
5 (vijf) jaren.
[slachtoffer]geleden schade tot een bedrag van
€ 27.827,86 (zevenentwintigduizend achthonderdzevenentwintig euro en zesentachtig cent), bestaande uit € 2.827,86 (achtentwintighonderdzevenentwintig euro en zesentachtig cent) als vergoeding voor de materiële en € 25.000,- (vijfentwintigduizend euro) als vergoeding voor de immateriële schade, en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 14 juni 2020 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [slachtoffer] , voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.
€ 27.827,86 (zevenentwintigduizend achthonderdzevenentwintig euro en zesentachtig cent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 174 dagen gijzeling en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 juni 2020 tot aan de dag der algehele voldoening. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.