De passagiers hebben een vervoersovereenkomst gesloten voor een vlucht van Amsterdam naar Lissabon op 13 juli 2018, die meer dan drie uur vertraging opliep. Zij vorderden compensatie op grond van Verordening (EG) nr. 261/2004, maar de vervoerder weigerde betaling.
De rechtbank stelt vast dat de Nederlandse rechter bevoegd is en verklaart de vordering van de minderjarige passagier niet-ontvankelijk wegens ontbreken van de juiste procesvertegenwoordiging. Voor de overige passagiers oordeelt de rechtbank dat de ziekte van de piloot een buitengewone omstandigheid vormt, aangezien dit een onverwacht vliegveiligheidsprobleem is waarop de vervoerder geen invloed heeft.
De vervoerder heeft bovendien redelijke maatregelen genomen door een vervangende piloot uit Lissabon te laten overvliegen om annulering te voorkomen. Daarom wijst de rechtbank de compensatievordering af en veroordeelt de passagiers tot betaling van de proceskosten.