De passagiers hebben een vervoersovereenkomst met airBaltic gesloten voor een vlucht van Amsterdam via Riga naar Palanga op 5 juni 2018. Door vertraging van de eerste vlucht misten zij hun aansluitende vlucht en arriveerden met meer dan drie uur vertraging op de eindbestemming.
De passagiers vorderden compensatie op grond van Verordening (EG) nr. 261/2004, terwijl de vervoerder betaling weigerde en een beroep deed op buitengewone omstandigheden vanwege restricties van de luchtverkeersleiding op Schiphol.
De kantonrechter oordeelde dat de vervoerder onvoldoende bewijs leverde dat de vertraging het gevolg was van een specifiek aan het toestel opgelegd besluit van de luchtverkeersleiding. Het beroep op buitengewone omstandigheden werd daarom verworpen. De vordering tot compensatie van €500 werd toegewezen, maar de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten werden afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing. De proceskosten en wettelijke rente werden eveneens toegewezen.