De passagier vorderde compensatie van €600,- wegens een vluchtvertraging van meer dan drie uur op grond van Verordening (EG) nr. 261/2004. De vertraging ontstond op de vlucht van Wenen naar Bangkok op 7 juli 2019.
De vervoerder verweerde zich met het beroep op buitengewone omstandigheden, namelijk een blikseminslag op het toestel tijdens de voorgaande vlucht, waardoor een verplichte inspectie en reparatie noodzakelijk waren. Er was geen reservevliegtuig beschikbaar, waardoor de vertraging onvermijdelijk was.
De rechtbank oordeelde dat de blikseminslag een buitengewone omstandigheid is en dat de vervoerder alle redelijke maatregelen had genomen om de vertraging te beperken. De passagier had onvoldoende gesteld om de stelplicht te schenden, maar dit verweer werd verworpen.
Daarom werd de vordering afgewezen en de passagier veroordeeld tot betaling van de proceskosten van €240,-. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.