De passagiers vorderden compensatie van British Airways PLC vanwege een vertraging van meer dan drie uur op hun vlucht van New York naar Amsterdam via Londen in juli 2018. Zij baseerden hun vordering op Verordening (EG) nr. 261/2004, die compensatie voorschrijft bij langdurige vertraging.
De vervoerder verweerde zich met het beroep op buitengewone omstandigheden: slechte weersomstandigheden rondom JFK Airport leidden tot een ground stop door de FAA en instructies van de luchtverkeersleiding, wat de vertraging veroorzaakte. Dit werd onderbouwd met METAR-data, interne rapporten en communicatie van het Air Traffic Control System Command Center.
De rechtbank stelde vast dat de vertraging inderdaad het gevolg was van deze buitengewone omstandigheden en dat de vervoerder alle redelijke maatregelen had getroffen om de vertraging te beperken, waaronder het omboeken van passagiers op het eerste alternatief. De rechtbank wees de vordering daarom af en veroordeelde de passagiers tot betaling van de proceskosten.