De passagiers vorderden compensatie van €1.200 wegens een vluchtvertraging van meer dan drie uur op hun vlucht van Amsterdam naar Dubai op 28 februari 2019. De vervoerder, Emirates, verweerde zich met het beroep op buitengewone omstandigheden, namelijk zware weersomstandigheden en beslissingen van de luchtverkeersleiding in Dubai.
De rechtbank stelde vast dat de vertraging inderdaad het gevolg was van zware windstoten en onweersbuien, waardoor het toestel niet mocht landen en moest uitwijken naar een andere luchthaven. De passagiers betwistten dit, maar de rechtbank oordeelde dat de weersomstandigheden en de luchtverkeersleidingbeslissingen een specifieke beperking vormden voor het betreffende toestel en dus als buitengewone omstandigheden kwalificeerden.
Verder concludeerde de rechtbank dat de vervoerder alle redelijke maatregelen had getroffen om de vertraging te beperken, waaronder het omboeken van passagiers op de eerstvolgende vlucht en het inplannen van een ruime overstaptijd. De vordering tot compensatie werd daarom afgewezen en de passagiers werden veroordeeld tot betaling van de proceskosten.