ECLI:NL:RBNHO:2021:3101
Rechtbank Noord-Holland
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak wegens onvoldoende bewijs wederrechtelijke vrijheidsberoving minderjarige
De rechtbank Noord-Holland behandelde op 15 april 2021 de zaak tegen verdachte die werd verdacht van wederrechtelijke vrijheidsberoving van een minderjarige aangever op 30 september 2020. De officier van justitie vorderde een gevangenisstraf van 36 maanden. De verdediging voerde onder meer onherstelbaar vormverzuim aan vanwege ontbrekende audiovisuele registratie van verhoren en stelde dat de aangever vrijwillig met verdachte en medeverdachten was meegegaan.
De rechtbank oordeelde dat het niet-ontvankelijkheidsberoep ongegrond was omdat de verhoren op 30 september geen geplande verhoren waren en de technische storing bij het verhoor van 7 oktober en het ontbreken van auditieve registratie van het verhoor van de getuige niet tot niet-ontvankelijkheid leiden. De verklaringen van aangever en getuige waren tegenstrijdig en onvoldoende betrouwbaar om te bewijzen dat verdachte wist dat de aangever tegen zijn wil werd meegenomen.
De rechtbank concludeerde dat onvoldoende wettig en overtuigend bewijs bestond dat verdachte opzet had op de vrijheidsberoving of opzettelijk een plaats had verschaft. De benadeelde partij werd niet-ontvankelijk verklaard in haar schadevordering. Tevens wees de rechtbank de vordering tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke straf af vanwege de vrijspraak.
De rechtbank sprak verdachte vrij van alle tenlasteleggingen wegens gebrek aan bewijs en verwierp de overige vorderingen.
Uitkomst: Verdachte is vrijgesproken wegens onvoldoende bewijs voor wederrechtelijke vrijheidsberoving.