Uitspraak
Rechtbank noord-holland
uitspraak van de meervoudige douanekamer van 12 januari 2021 in de zaak tussen
[X] B.V., te [Z] , eiseres
de inspecteur van de Belastingdienst / Douane Amsterdam, verweerder
Procesverloop
Eiseres is vertegenwoordigd door haar gemachtigde verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [A] en [B] .
Overwegingen
Ten aanzien van de letter stickers heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat deze plat zijn en niet voldoen aan Aantekening 2 op afdeling VII van de GN, waardoor zij niet kunnen worden ingedeeld onder hoofdstuk 49. Voor deze stickers is de juist goederencode aangegeven, aldus verweerder.
Ten aanzien van de puffy stickers heeft verweerder gesteld dat daaraan geen enkel dikte- of hoogteverschil is te zien of te voelen, zodat deze plat zijn. Ook deze stickers zijn derhalve correct aangegeven, aldus verweerder.
Uit de toelichting op post 4911 onder 10 blijkt voorts dat de onderhavige stickers moeten worden ingedeeld in post 4911. Hoewel de toelichting niet wettelijk bepalend is, bevat die wel een belangrijke aanwijzing voor de indeling van de goederen. De stickers zijn reliëfstickers.
Eiseres verwijst tot slot naar Verordening 2016/934, waarin de Europese Commissie haar beslissing over de indeling van reliëfstickers onder GN code 4911 49 00 als volgt motiveert: “Indeling onder post 3919 is uitgesloten omdat de voorgesneden reliëfstickers niet plat zijn”.
Eiseres verzoekt de rechtbank het beroep gegrond te verklaren, de beslissing van
17 januari 2019 op het verzoek tot terugbetaling te vernietigen, te bepalen dat de aangegeven producten moeten worden ingedeeld onder postonderverdeling 4911 91 00 90 en te bepalen dat de inspecteur alsnog positief moet beslissen op het verzoek tot terugbetaling, met veroordeling van de inspecteur in de kosten voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand en veroordeling van de inspecteur tot vergoeding van het griffierecht.
Ten aanzien van de letter stickers stelt verweerder dat deze van kunststof zijn en zelfklevend, dat daarop geen gedrukte teksten of illustraties voorkomen, zodat ook deze stickers geen drukwerk zijn als bedoeld bij hoofdstuk 49. Ze zijn daarom niet, zoals eiseres meent, op grond van aantekening 2 op afdeling VII uitgezonderd van indeling onder hoofdstuk 39. Omdat de stickers plat zijn, moeten ze worden ingedeeld onder goederencode 3919 90 00 99. Eiseres heeft deze stickers in de aangifte daarom terecht onder deze goederencode aangegeven.
Het product uit de indelingsverordening (EU) 2016/934 is niet vergelijkbaar met de onderhavige producten, omdat deze stickers geen deel uitmaken van een assortiment. Bovendien zijn de onderhavige stickers plat, zodat ze als ‘plat’ in de zin van GS-post 3919 moeten worden aangemerkt en indeling onder GS-post 4911 daardoor niet mogelijk is.
(…)
“
Met uitzondering van de bij de posten 39.18 en 39.19 bedoelde artikelen worden onder hoofdstuk 49 ingedeeld kunststof en rubber, alsmede werken daarvan, waarop gedrukte teksten of illustraties voorkomen, die een meer dan bijkomstig karakter hebben bij het primaire gebruik van de goederen.”
Deze post omvat alle platte zelfklevende producten van kunststof, ook indien op rollen,
4911 Ander drukwerk, prenten, gravures en foto's daaronder begrepen
4911 10 90 -- ander
- ander
(…)
“(…) Naast de artikelen waarvan de indeling onder deze post voor de hand ligt, omvat deze post onder meer:
1. reclamedrukwerk (…)
10. zelfklevende bedrukte stickers ontworpen om te worden gebruikt voor bijvoorbeeld publiciteits- of adverteerdoeleinden of slechts als decoratie, bijvoorbeeld ‘komische stickers’ en ‘raamstickers’ (…)”
Omschrijving:
beautiful’ en ‘
Love’ en op in ieder geval vier relatief kleine stickers, waarop het patroon van een bloem of een ander patroon is te herkennen. Verweerder heeft zich echter op het standpunt gesteld dat dit stickervel niet representatief is voor de vellen, waarop de aangifte betrekking heeft. Omdat de bewijslast in deze rust op eiseres, dient aan deze constatering ter zitting dan ook voorbij te worden gegaan, aldus verweerder.
De rechtbank volgt verweerder in dit standpunt niet en overweegt daartoe als volgt. Uit de stellingen van partijen ter zitting blijkt dat de vellen met letter stickers niet alleen in zwart, wit en grijs waren uitgevoerd, zoals het ter zitting overgelegde exemplaar, maar dat er ook sprake was van vellen met letters in verschillende kleuren. Naar het oordeel van de rechtbank is derhalve sprake van drukwerk in de zin van post 4911, nu de aanwezigheid van kleuren op de letters, zonder nadere toelichting die ontbreekt, niet goed mogelijk is zonder drukwerk. Zelfs indien derhalve het ter zitting overgelegde vel letter stickers, waarop ook in de visie van verweerder in ieder geval gedeeltelijk drukwerk aanwezig was, niet geacht kan worden representatief te zijn voor alle vellen, waarop de aangifte van eiseres betrekking had, dan nog dient aan de hand van het feit dat vaststaat dat de letter stickers in verschillende kleuren waren uitgevoerd te worden geoordeeld dat sprake is van drukwerk. De rechtbank ziet in de tekst van GS-post 4911 geen aanknopingspunten voor het standpunt van verweerder dat de term ‘drukwerk’ impliceert dat een patroon waarneembaar moet zijn. In de letterlijke bewoordingen van de post ziet de rechtbank zelfs een aanwijzing van het tegenovergestelde, omdat daarin is opgenomen dat de post betrekking heeft op ‘drukwerk’, onder welk begrip tevens ‘prenten, gravures en foto’s’ dienen te worden begrepen. Aldus is expliciet bepaald dat afbeeldingen dienen te worden begrepen onder het begrip drukwerk, hetgeen doet veronderstellen dat de term zelf daar niet reeds betrekking op heeft.