ECLI:NL:RBNHO:2021:3213
Rechtbank Noord-Holland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Bevoegdheid tot beslissing op urgentieverklaring in woningmarktregio
Eiser, woonachtig in een onzelfstandige woonruimte te [woonplaats], heeft een urgentieverklaring aangevraagd bij de gemeente Zaanstad voor een zelfstandige sociale huurwoning voor zichzelf en zijn kinderen. De gemeente Zaanstad weigerde aanvankelijk de urgentieverklaring toe te kennen, maar herzag dit besluit later en stelde dat zij niet bevoegd was om over de aanvraag te beslissen.
De rechtbank stelt vast dat op grond van de Huisvestingsverordening Zaanstad 2018 de bevoegdheid tot het beslissen over urgentieverklaringen bij de regiogemeente ligt waar de aanvrager staat ingeschreven. Omdat eiser in [woonplaats] woont en deze gemeente deel uitmaakt van de woningmarktregio, is het college van B&W van Zaanstad niet bevoegd om te beslissen.
Eiser voerde aan dat de hardheidsclausule van artikel 2.5.11 van de verordening toegepast had moeten worden, maar de rechtbank oordeelt dat deze clausule niet aan de orde is zolang de gemeente niet bevoegd is om te beslissen. Het beroep van eiser wordt daarom ongegrond verklaard.
De rechtbank wijst het beroep af en ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door rechter Steinhauser en griffier Hermus-Zoetmulder op 22 april 2021.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit van het college van B&W van Zaanstad wordt ongegrond verklaard wegens gebrek aan bevoegdheid.