ECLI:NL:RBNHO:2021:3221
Rechtbank Noord-Holland
- Op tegenspraak
- Rechtspraak.nl
Betaling van vordering €1.650 afgewezen wegens onvoldoende bewijs contante betaling
In deze civiele zaak vordert eiser betaling van €1.650 van gedaagde, die betwist dat hij dit bedrag volledig contant heeft voldaan. Gedaagde baseert zijn verweer op een betalingsbewijs met een handtekening die volgens hem van eiser is, maar eiser ontkent stellig dat de handtekening van hem is. De kantonrechter oordeelt dat deze ontkenning voldoende is om het bewijsstuk geen bewijskracht toe te kennen.
Gedaagde heeft geen aanvullend bewijs geleverd dat de contante betaling daadwerkelijk heeft plaatsgevonden. De door hem overgelegde bankafschriften tonen geen overtuigend bewijs van betaling aan eiser, en de omstandigheden waaronder de betaling zou zijn gedaan zijn niet nader toegelicht. Eiser heeft bovendien gesteld dat hij op de datum van de vermeende betaling op vakantie was.
De kantonrechter concludeert dat gedaagde zijn verweer onvoldoende heeft onderbouwd en wijst het af. Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van €1.650, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding, en tot vergoeding van de proceskosten aan de zijde van eiser. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.
Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van €1.650 met rente en proceskosten wegens onvoldoende bewijs van contante betaling.