ECLI:NL:RBNHO:2021:3241

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
21 april 2021
Publicatiedatum
20 april 2021
Zaaknummer
C/15/306180 / HA ZA 20-516
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 477a RvArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid vordering wegens overschrijding termijn derdenbeslagverklaring

Erasmus Universiteit Rotterdam (EUR) vorderde van Vloer Adviesgroep B.V. een gerechtelijke verklaring omtrent de vorderingen en goederen die onder executoriaal derdenbeslag waren gelegd ten laste van Schildersbedrijf S.W. Kooistra B.V. Dit beslag was gelegd op verzoek van EUR en ten laste van Kooistra. EUR wilde na afgifte van de verklaring dat Vloer Adviesgroep de betreffende gelden en goederen aan haar zou overdragen.

Vloer Adviesgroep had echter een verklaring derdenbeslag afgelegd en een brief overgelegd waarin zij aangaf niet akkoord te gaan met de door haar ingevulde verklaring. EUR heeft daarop ter zitting verklaard haar vorderingen te willen intrekken, waardoor de eis werd verminderd tot nihil.

De rechtbank oordeelde dat EUR de dagvaarding niet binnen de vereiste termijn van twee maanden na ontvangst van de verklaring derdenbeslag had uitgebracht, zoals vereist in artikel 477a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Hierdoor was EUR niet-ontvankelijk in haar vorderingen.

EUR werd veroordeeld in de proceskosten, begroot op €4.270,00 ten gunste van Vloer Adviesgroep. Het vonnis werd gewezen door mr. W.S.J. Thijs en op 21 april 2021 in het openbaar uitgesproken.

Uitkomst: Erasmus Universiteit Rotterdam is niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de termijn voor dagvaarding na verklaring derdenbeslag.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Insolventie
Zittingsplaats Haarlem
zaaknummer / rolnummer: C/15/306180 / HA ZA 20-516
Vonnis van 21 april 2021(bij vervroeging)
in de zaak van
de publiekrechtelijke rechtspersoon
ERASMUS UNIVERSITEIT ROTTERDAM,
zetelend te Rotterdam,
eiseres,
advocaat mr. G.H. Nagel te Amsterdam,
tegen
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
VLOER ADVIESGROEP B.V.,
gevestigd te Hoofddorp,
gedaagde,
advocaat mr. B.F. Eblé te Haarlem.
Partijen zullen hierna EUR en Vloer Adviesgroep genoemd worden.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • het tussenvonnis van 10 februari 2021
  • de mondelinge behandeling van 19 maart 2021, waarvan de griffier aantekeningen heeft bijgehouden, die zich in het dossier bevinden
  • de pleitaantekeningen van mr. Nagel namens EUR
  • de ter zitting in het geding gebrachte brief van 25 mei 2020 aan de zijde van Vloer Adviesgroep.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
Bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, van 21 januari 2015 is Schildersbedrijf S.W. Kooistra B.V. (hierna: Kooistra) veroordeeld tot betaling aan EUR van € 144.535,75, vermeerderd met de wettelijke rente ex artikel 6:119 van Pro het Burgerlijk Wetboek over een bedrag van € 122.756,18 vanaf 1 augustus 2011 en over een bedrag van € 21.779,57 vanaf 21 januari 2015.
2.2.
Bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, van diezelfde datum (21 januari 2015) is Vloer Adviesgroep veroordeeld om aan Kooistra te betalen de helft (50%) van datgene waartoe Kooistra als gedaagde in de hoofdzaak jegens EUR is veroordeeld.
2.3.
Op 8 mei 2020 is op verzoek van EUR en ten laste van Kooistra executoriaal derdenbeslag gelegd onder Vloer Adviesgroep.
2.4.
Vloer Adviesgroep heeft in haar hoedanigheid van derde-beslagene verklaring gedaan van de vorderingen en zaken die door het beslag zijn getroffen.

3.Het geschil

3.1.
EUR vordert bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. veroordeling van Vloer Adviesgroep tot het afleggen van een schriftelijke en door haar ondertekende gerechtelijke verklaring met inachtneming van hetgeen EUR in de dagvaarding heeft gesteld, van hetgeen zij van Kooistra onder zich heeft en/of aan Kooistra verschuldigd is en/of uit een reeds bestaande rechtsverhouding van Kooistra zal verkrijgen en/of uit een reeds bestaande rechtsverhouding aan Kooistra verschuldigd zal worden;
II. nadat die verklaring door Vloer Adviesgroep zal zijn afgelegd en door de rechtbank zal zijn bepaald hetgeen Vloer Adviesgroep aan Kooistra verschuldigd is en/of uit een reeds bestaande rechtsverhouding van Kooistra zal verkrijgen en/of uit een reeds bestaande rechtsverhouding aan Kooistra verschuldigd zal worden, Vloer Adviesgroep te veroordelen tot het overdragen aan EUR van zodanige gelden en/of goederen, voor zover deze niet overtreffen het totale bedrag dat EUR ingevolge voormeld vonnis van Kooistra te vorderen heeft, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na dagtekening van het vonnis;
III. Vloer Adviesgroep te veroordelen tot betaling van de kosten gepaard gaand met het verbeteren van haar verklaring, een en ander te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis, en – indien de kosten niet binnen de gestelde termijn worden voldaan –, te vermeerderen met de wettelijke rente over deze kosten.
3.2.
Vloer Adviesgroep voert verweer.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
Ter zitting heeft Vloer Adviesgroep een brief van Van der Velde van Hal &| Peers gerechtsdeurwaarders en incassobureau aan Vloer Adviesgroep van 25 mei 2020 overgelegd. In deze brief staat onder meer:
“Wij gaan niet akkoord met de door Vloer Adviesgroep op 13 mei 2020 ingevulde verklaring derdenbeslag terzake het beslag ten laste van:
Schildersbedrijf S.W. Kooistra B.V.
4.2.
Naar aanleiding van deze brief heeft EUR ter zitting verklaard dat zij haar vorderingen wil intrekken. Aldus heeft zij haar eis verminderd tot nihil.
4.3.
EUR heeft Vloer Adviesgroep op 31 juli 2020 gedagvaard. Gelet op genoemde brief waaruit volgt dat de verklaring in ieder geval op 25 mei 2020 door de deurwaarder is ontvangen, betekent dit dat EUR Vloer Adviesgroep niet binnen de in artikel 477a Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering vereiste termijn van twee maanden na de verklaring heeft gedagvaard. EUR is daarom niet-ontvankelijk in haar vorderingen.
4.4.
EUR zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Vloer Adviesgroep worden begroot op:
- griffierecht 2.042,00
- salaris advocaat
2.228,00(2,0 punten × tarief € 1.114,00)
Totaal € 4.270,00

5.De beslissing

De rechtbank
5.1.
verklaart EUR niet-ontvankelijk in haar vordering,
5.2.
veroordeelt EUR in de proceskosten, aan de zijde van Vloer Adviesgroep tot op heden begroot op € 4.270,00.
Dit vonnis is gewezen door mr. W.S.J. Thijs en in het openbaar uitgesproken op 21 april 2021. [1]

Voetnoten

1.type: 1589