ECLI:NL:RBNHO:2021:3338
Rechtbank Noord-Holland
- Op tegenspraak
- Rechtspraak.nl
Ontruiming woning na overlijden huurster; geen medehuurderschap van inwonende
Deze zaak betreft een vordering tot ontruiming van een woning door de eigenaar, nadat de huurster is overleden. De gedaagde, die sinds zijn geboorte in de woning woont, stelt medehuurder te zijn geworden en de huur voort te zetten na het overlijden van zijn moeder, de oorspronkelijke huurster.
De kantonrechter oordeelt dat de gedaagde onvoldoende heeft gesteld om aan te tonen dat hij als medehuurder is aanvaard. Er is geen sprake van wilsovereenstemming of een gezamenlijk verzoek tot medehuurderschap. Ook het enkele betalen van een gebruiksvergoeding of een vermeende toezegging door de eigenaar is onvoldoende om medehuurderschap te bewijzen.
De kantonrechter concludeert dat de gedaagde zonder recht of titel in de woning verblijft en wijst de ontruimingsvordering toe. Gezien de omstandigheden wordt een termijn van zes maanden na betekening voor ontruiming toegestaan. Tevens wordt een dwangsom opgelegd en worden de proceskosten aan de gedaagde opgelegd.
Uitkomst: De vordering tot ontruiming wordt toegewezen omdat de gedaagde geen medehuurder is en zonder recht of titel in de woning verblijft.