ECLI:NL:RBNHO:2021:3487

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
14 april 2021
Publicatiedatum
26 april 2021
Zaaknummer
8403673 \ CV EXPL 20-2781
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:96 lid 2 BWVerordening (EG) nr. 261/2004
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering buitengerechtelijke incassokosten na vluchtvertraging wegens buitengewone omstandigheden

De passagier vorderde vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten nadat hij zijn compensatievordering wegens vluchtvertraging introk vanwege erkende buitengewone omstandigheden. De vertraging betrof een vlucht van Amsterdam naar Mactan Cebu via Hongkong op 13 november 2018, waarbij de aansluitende vlucht werd gemist.

De vervoerder had de passagier voorafgaand aan de procedure geïnformeerd over de oorzaak van de vertraging, namelijk een medische noodzaak van een passagier, maar gaf geen medische gegevens vanwege privacy. De passagier stelde dat de vervoerder hem nodeloos tot een procedure had gedwongen door onvoldoende informatie te verstrekken.

De kantonrechter oordeelde dat de passagier de kosten niet op de vervoerder kan verhalen, omdat de vervoerder adequaat verweer voerde en uitleg gaf over de vertraging. De passagier had kunnen vragen om nadere informatie zonder een procedure te starten. De vordering tot vergoeding van incassokosten en proceskosten werd daarom afgewezen, en de passagier werd veroordeeld tot betaling van de proceskosten en nakosten.

Uitkomst: De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten wordt afgewezen en de passagier wordt veroordeeld tot betaling van de proceskosten en nakosten.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Insolventie
locatie Haarlem
Zaaknr./rolnr.: 8403673 \ CV EXPL 20-2781
Uitspraakdatum: 14 april 2021
Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:
[de passagier]
wonende te [woonplaats]
eiser
hierna te noemen: de passagier
gemachtigde: mr. R. Bos
tegen
de buitenlandse rechtspersoon
Cathay Pacific Airways Limited
gevestigd te Hong Kong
gedaagde
hierna te noemen: de vervoerder
gemachtigde: mr. M. de Wijs

1.Het procesverloop

1.1.
De passagier heeft bij dagvaarding van 16 maart 2019 een vordering tegen de vervoerder ingesteld. De vervoerder heeft schriftelijk geantwoord.
1.2.
De passagier heeft hierop schriftelijk gereageerd, waarna de vervoerder een schriftelijke reactie heeft gegeven.

2.De feiten

2.1.
De passagier heeft met de vervoerder een vervoersovereenkomst gesloten op grond waarvan de vervoerder de passagier diende te vervoeren van Amsterdam naar Mactan Cebu Airport (Filipijnen) via Hongkong (China) op 13 november 2018, hierna: de vlucht.
2.2.
De vlucht van Amsterdam naar Hongkong is vertraagd uitgevoerd. De passagier heeft zijn aansluitende vlucht naar Mactan Cebu gemist.
2.3.
De passagier heeft compensatie van de vervoerder gevorderd in verband met voornoemde vertraging.
2.4.
De vervoerder heeft geweigerd tot betaling over te gaan.

3.De vordering en het verweer

3.1.
De passagier vordert – na vermindering van eis – dat de vervoerder wordt veroordeeld tot betaling van:
- € 90,00 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente;
- de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.
3.2.
De passagier ziet af van zijn vordering tot compensatie, omdat niet langer in geschil is dat sprake is geweest van buitengewone omstandigheden in de zin van de (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van de verordening (EEG) nr. 295/91 (hierna: de Verordening).
3.3.
De passagier handhaaft echter zijn vordering tot vergoeding van de buitengerechtelijke kosten en de proceskosten. Daartoe stelt de passagier dat de vervoerder de passagier nodeloos heeft gedwongen tot een procedure. Indien de vervoerder bij het eerste verzoek, of bij één van de latere verzoeken van de gemachtigde van de passagier tot betaling van compensatie in verband met vertraging, zijn verweer deugdelijk met documenten had onderbouwd, dan was deze procedure voorkomen. De vervoerder beschikte wel over deze documenten, maar besloot om ze pas over te leggen nadat hij was gedagvaard.
3.4.
Op het verweer zal – voor zover relevant – bij de beoordeling van het geschil worden ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
De kantonrechter stelt ambtshalve vast dat de Nederlandse rechter in deze zaak bevoegd is om van de vordering kennis te nemen.
4.2.
De passagier erkent bij repliek dat de vertraging van zijn vlucht het gevolg is geweest van een buitengewone omstandigheid, waardoor hij zijn eis met betrekking tot de hoofdsom heeft ingetrokken. De passagier vordert alsnog de buitengerechtelijke kosten en proceskosten vermeerderd met de wettelijke rente, omdat de vervoerder de passagier zijns inziens nodeloos heeft gedwongen tot een procedure doordat de passagier voorafgaand aan de procedure geen informatie over deze buitengewone omstandigheid van de luchtvaartmaatschappij heeft ontvangen. Volgens de passagier ligt het op de weg van de vervoerder om de passagier te informeren over de oorzaak van de vertraging.
4.3.
De passagier vordert € 90,00 aan buitengerechtelijke incassokosten. Dit bedrag is berekend naar aanleiding van de bij dagvaarding gevorderde hoofdsom van € 600,00. Volgens vaste rechtspraak is voor vergoeding van kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid als bedoeld in artikel 6:96 lid Pro 2, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW), vereist dat:
(a) een conditio sine qua non-verband bestaat tussen de aansprakelijkheid scheppende gebeurtenis en de kosten;
(b) de kosten in zodanig verband staan met die gebeurtenis dat zij, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en van de schade, aan de aansprakelijke persoon kunnen worden toegerekend;
(c) het redelijk was om in verband met een onderzoek naar de mogelijke gevolgen van die gebeurtenis deskundige bijstand in te roepen; en
(d) de daartoe gemaakte kosten redelijk zijn.
Voor vergoeding van de hier bedoelde kosten is echter niet vereist dat uiteindelijk komt vast te staan dat schade is geleden (vgl. HR 12 april 2019 ECLI:NL:HR:2019:590). Volgens de Hoge Raad zijn er immers gevallen denkbaar waarin de benadeelde deze kosten als gevolg van de aansprakelijkheid scheppende gebeurtenis maakt in de redelijke veronderstelling dat hem in verband daarmee een bepaalde vordering toekomt. De vraag in hoeverre de kosten die de benadeelde aldus heeft gemaakt op de voet van artikel 6:96 lid 2 BW Pro voor vergoeding in aanmerking komen, dient aan de hand van de hiervoor vermelde maatstaf te worden beantwoord met inachtneming van alle omstandigheden van het geval, zoals de vraag of er verweer is gevoerd of is te verwachten en de door partijen ingenomen standpunten.
4.4.
De vervoerder heeft bij conclusie van dupliek aangevoerd dat hij de passagier voorafgaand aan de procedure heeft geïnformeerd over de oorzaak van de vertraging. In een e-mail van de vervoerder aan Aviclaim heeft de vervoerder toegelicht dat er een vertraging is ontstaan wegens medische noodzaak van een passagier. Daarbij heeft de vervoerder aangegeven dat hij geen medische gegevens van die passagier kan verstrekken in verband met zijn of haar privacy. De vervoerder voert verder aan dat indien de passagier meer of andere informatie had gewenst, hij hierom had kunnen en dienen te verzoeken. Dat verzoek bleef uit, hetgeen voor rekening en risico van de passagier komt, aldus de vervoerder.
4.5.
De kantonrechter is van oordeel dat de passagier de thans in het geding zijnde kosten in redelijkheid niet van de vervoerder kan vorderen. Dit heeft allereerst te maken met het feit dat de vervoerder reeds in de correspondentiefase verweer heeft gevoerd en is blijven reageren op de verzoeken van de passagier. Ten slotte heeft de vervoerder ook uitleg gegeven van de oorzaak van de vertraging, te weten een medische noodzaak. De passagier kon verwachten dat de vervoerder in een gerechtelijke procedure eenzelfde verweer zou aanvoeren en onderbouwen met stukken. Er was dan ook geen grond voor de passagier om de procedure te starten. Indien de passagier verdere onderbouwing van de buitengewone omstandigheden had willen ontvangen, dan had hij daarnaar concreet kunnen vragen. Daartoe is een procedure niet vereist.
4.6.
Gelet op het voorgaande wordt de vordering afgewezen. De proceskosten komen voor rekening komen van de passagier, omdat hij ongelijk krijgt. Ook de nakosten komen voor rekening van de passagier, voor zover deze kosten daadwerkelijk door de vervoerder worden gemaakt.

5.De beslissing

De kantonrechter:
5.1.
wijst de vordering af;
5.2.
veroordeelt de passagier tot betaling van de proceskosten, die tot en met vandaag voor de vervoerder worden vastgesteld op een bedrag van € 248,00 aan salaris van de gemachtigde van de vervoerder;
5.3.
veroordeelt de passagier tot betaling van € 62,00 aan nakosten voor zover deze kosten daadwerkelijk door de vervoerder worden gemaakt
;
5.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. C.E. van Oosten-van Smaalen, kantonrechter en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter