Uitspraak
Rechtbank noord-holland
uitspraak van de meervoudige douanekamer van 29 april 2021 in de zaak tussen
[X] B.V., gevestigd te [Z] , eiseres
de inspecteur van de Belastingdienst/Douane, kantoor Amsterdam, verweerder.
Procesverloop
Overwegingen
‘korte/lange broeken, van katoen, voor dames”met een totale douanewaarde van € 40.491 (50.010,40 USD). De op basis van deze aangifte verschuldigde douanerechten bedragen in totaal € 4.858,92 (12% van de douanewaarde).
“Met betrekking tot de (...) aangifte heb ik gegronde twijfel of de aangegeven waarde overeenkomt met de totale betaalde of te betalen prijs. Op basis van artikel 15 DWU Pro juncto artikel 163 DWU Pro en artikel 140 UVo Pro.DWU verzoek ik u om aanvullende informatie over de aangegeven douanewaarde. Hierbij denk ik aan een gemotiveerde en schriftelijke uitleg over de prijs van de goederen en de aanvullende kosten. Ook ontvang ik graag bescheiden die deze uitleg ondersteunen, bv. zeevrachtverzekeringspolis, betalingsbewijzen, contracten, correspondentie m.b.t. de inkoop; doorverkoopfacturen van de goederen etc. Mochten bovengenoemde twijfels niet worden weggenomen, dan kan de Douane besluiten dat de waarde van de goederen niet kan worden vastgesteld overeenkomstig artikel
70 DWU.”.
“met de verhoogde waarde naar wat u conform acht”)en de broeken vrij te geven, daaraan toevoegend:
“Voor de volledigheid betekent dit bericht niet dat wij het eens zijn met de verhoging van de douanewaarde.”.
Geschil
Daarbij heeft eiseres gewezen op de vele eerdere - tot uiteindelijk niets leidende en onterechte - aanhoudingen en onderzoeken ter zake van haar invoerzendingen en de reeds uitgevoerde “pre-arrival” controle van de onderhavige container.
Verweerder heeft in het geheel niet duidelijk gemaakt waarop zijn gestelde gegronde twijfels in de zin van artikel 140 van Pro de Uitvoeringsverordening Douanewetboek van de Unie (Uvo. DWU) over de aangegeven waarde zijn gebaseerd. In de eerdere aanhoudingen was dat evenmin het geval. Met een uitgebreide toelichting ter zake van de desbetreffende afgekeurde of geannuleerde in balen geperste restpartijen, veelal synthetische kleding die al tot het goedkopere segment behoort en door de Chinese fabrikanten voor gereduceerde prijzen van de hand wordt gedaan, bedoeld voor de markt- en straathandel in Europa (de onderkant van de markt), komt eiseres tot de conclusie dat voor verweerder van gegronde twijfels geen sprake kon zijn.