Uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 maart 2021 in de zaak tussen
[eiser] , te [woonplaats] , eiser
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente verweerder
Procesverloop
Overwegingen
23 mei 2017 een bijstandsuitkering toegekend. Deze aanvraag is schriftelijk via het sociaal wijkteam afgehandeld, zonder voorafgaand onderzoek. In verband met nog steeds bestaande twijfels over eisers verblijfplaats en financiële situatie is besloten een (nader) rechtmatigheidsonderzoek in te stellen. Het onderzoek heeft bestaan uit onder meer het raadplegen van informatiesystemen/openbare bronnen, controle van aanwezige bankafschriften, huisbezoek, buurtonderzoek en het horen van getuigen. Voorts heeft verweerder eiser uitgenodigd voor een gesprek op 29 mei 2018 om hem te confronteren met de onderzoeksbevindingen. Bij de uitnodiging is eiser ook verzocht om nadere gegevens over te leggen. Omdat eiser zonder tegenbericht niet is verschenen op de uitnodiging voor dat gesprek heeft verweerder bij besluit van 4 juni 2018 de bijstandsuitkering op grond van artikel 54, eerste lid, van de Pw per 29 mei 2018 opgeschort en een hersteltermijn geboden. Eiser is uitgenodigd voor een nieuw gesprek op 6 juni 2018. Ook bij dit gesprek is eiser zonder tegenbericht niet verschenen. Daarop heeft verweerder bij besluit van 20 juni 2018 de bijstand met toepassing van artikel 54, vierde lid, van de Pw met ingang van de opschortingsdatum van 29 mei 2018 ingetrokken.
15 maart 2017, op het opgegeven uitkeringsadres geen kleding en persoonlijke spullen van eiser werden aangetroffen en de verklaring die eiser daarvoor gaf niet logisch werd gevonden, werd getwijfeld aan de woon- en leefsituatie van eiser. Dat was voor verweerder aanleiding om opnieuw een huisbezoek af te leggen. Bij het op 1 augustus 2017 afgelegde huisbezoek bleek dat eiser niet aanwezig was en dat op dat moment in de kamer die eiser zou huren een andere man verbleef. Afgezien van enkele kledingstukken aan een hangertje en een paar schoenen, waarover door de hoofdbewoner werd gezegd dat die van eiser waren, werden geen persoonlijke eigendommen van eiser aangetroffen. Daar komt bij dat eiser niet heeft aangetoond gedurende de uitkeringsperiode huur te betalen en door de hoofdbewoner tegenstrijdige verklaringen zijn afgelegd. Zo heeft de hoofdbewoner, die in februari 2017 zelf een aanvraag om bijstand heeft ingediend, in het kader van die aanvraag aangegeven geen medebewoners te hebben, hetgeen bij navraag door medewerkers van Vluchtelingenwerk werd bevestigd. Die twijfel vindt bovendien bevestiging in verschillende verklaringen van omwonenden. Eisers betoog dat deze verklaringen niet als bewijs mogen worden gebruikt, treft geen doel. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de verklaringen specifiek genoeg om het overige bewijs te ondersteunen. Uit de stukken blijkt verder dat bij verweerder ook nog vragen zijn gerezen over eisers verblijf in het buitenland, onder meer nadat hij na een oproep door een casemanager werk voor een trajectgesprek in maart 2018 via de email meldde in Marokko te verblijven en uit onderzoek naar voren kwam dat eiser in mei 2017 vliegtickets had gekocht bij Air Maroc. Eiser had dit niet gemeld bij verweerder.
Beslissing
mr. H.R.A. Horring, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 maart 2021.