ECLI:NL:RBNHO:2021:4566
Rechtbank Noord-Holland
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening maatschappelijke opvang wegens zelfredzaamheid verzoekers
Verzoekers, een gezin bestaande uit een vader en drie minderjarige kinderen, vroegen om een voorlopige voorziening voor maatschappelijke opvang op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015). Verweerder had eerder een spoedvoorziening toegekend maar de reguliere aanvraag voor maatwerkvoorziening afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing van niet-zelfredzaamheid.
De voorzieningenrechter overwoog dat verzoeker voldoende zelfredzaam is, mede gelet op zijn vermogen om de remigratie te organiseren, het beheersen van de Nederlandse taal en het ontbreken van lichamelijke of psychische klachten. Verweerder had zich bovendien voldoende rekenschap gegeven van de belangen van de minderjarige kinderen.
De opvang op grond van de Richtlijn dak- en thuisloze mensen was verlengd tot 2 juni 2021, waarmee de noodzaak voor een voorlopige voorziening verviel. Verzoekers stelden dat de Richtlijn dwingend recht is en dat de belangen van de kinderen onvoldoende waren meegewogen, maar de voorzieningenrechter vond dit niet aannemelijk.
Daarom werd het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen en werd verzoeker vrijgesteld van griffierecht wegens betalingsonmacht. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening voor maatschappelijke opvang wordt afgewezen omdat verzoekers zelfredzaam zijn.