Verzoeker diende een verzoekschrift in tot vergoeding van schade en kosten verband houdende met ten onrechte ondergane voorlopige hechtenis in een strafzaak wegens mishandeling, waarvan hij later werd vrijgesproken. De rechtbank Noord-Holland behandelde het verzoek en concludeerde dat het verzoekschrift niet bij haar ingediend had moeten worden, maar bij de rechtbank Gelderland, omdat die rechtbank bevoegd is als laatst vervolgende gerecht.
De rechtbank oordeelde dat het verzoek tot vergoeding van kosten voor rechtsbijstand in de nieuwe strafzaak eveneens niet bij haar thuishoorde en verwees dit door naar de rechtbank Gelderland. Voor het verzoek tot vergoeding van kosten gemaakt voor de behandeling van het verzoek tot uitstel van voorlopige invrijheidsstelling in de lopende zaak wees de rechtbank het verzoek af, omdat de zaak niet zonder oplegging van straf of maatregel was geëindigd.
De rechtbank stelde vast dat verzoeker in de hoofdzaak veroordeeld was tot zes jaar gevangenisstraf en dat het verzoek tot uitstel voorlopige invrijheidsstelling daarmee geen zelfstandige zaak was die vergoeding rechtvaardigde. De beschikking werd openbaar uitgesproken op 31 mei 2021 door rechter H.E. van Harten.