De passagiers vorderden compensatie wegens een vertraging van meer dan drie uur op hun vlucht van Amsterdam naar Shanghai via Frankfurt op 2 augustus 2019. De vervoerder verweerde zich met een beroep op buitengewone omstandigheden, namelijk door luchtverkeersleiding opgelegde CTOT's, en stelde dat de vertraging daardoor niet aan hem toe te rekenen was.
De rechtbank stelde vast dat de Nederlandse rechter bevoegd was en dat de passagiers voldoende hadden gesteld over hun aankomsttijd. De vertraging op de eindbestemming was onbetwist en viel binnen de compensatieplicht, tenzij de vervoerder kon aantonen dat sprake was van buitengewone omstandigheden en dat alle redelijke maatregelen waren genomen.
De vervoerder had aannemelijk gemaakt dat de vertraging het gevolg was van door de luchtverkeersleiding opgelegde slotrestricties (CTOT's) wegens weersomstandigheden, wat buitengewone omstandigheden zijn. Echter, de vervoerder slaagde er niet in aan te tonen dat hij alle redelijke maatregelen had getroffen om de vertraging te voorkomen of te beperken, onder meer omdat de aangeboden alternatieve vlucht pas een dag later aankwam.
De rechtbank wees de vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten af wegens onvoldoende onderbouwing. De proceskosten werden aan de vervoerder opgelegd. De vervoerder werd veroordeeld tot betaling van € 1.800,00 compensatie plus wettelijke rente en proceskosten.