Verzoeker had tot 16 januari 2020 de tijd om zijn inburgeringsexamen te behalen, maar slaagde met een week vertraging. De minister legde daarop een boete van €100,- op en eiste terugbetaling van een lening van €8.428,55.
De voorzieningenrechter oordeelt dat het buitenproportioneel is om bij een overschrijding van slechts één week het volledige bedrag terug te vorderen en een boete op te leggen. Verzoeker volgt inmiddels een studie ICT en heeft de inburgeringsplicht alsnog vervuld.
De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en de primaire besluiten, en bepaalt dat de schuld en boete worden kwijtgescholden. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens gebrek aan spoedeisend belang, maar het beroep wordt inhoudelijk gegrond verklaard.
Verweerder wordt veroordeeld in de proceskosten van verzoeker, vastgesteld op €1.068,-. Omdat verzoeker wegens betalingsonmacht geen griffierecht betaalde, wordt geen vergoeding van griffierecht toegekend.
De uitspraak is gedaan op 1 juni 2021 door voorzieningenrechter M.P.E. Oomens in aanwezigheid van griffier D.M.M. Luijckx.