ECLI:NL:RBNHO:2021:4759

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
3 juni 2021
Publicatiedatum
11 juni 2021
Zaaknummer
C/15/316136 / HA RK 21/89
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Wraking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 8:16 AwbArt. 8:18 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing wrakingsverzoek rechter wegens procesbeslissing en oplegging wrakingsverbod

Verzoeker heeft op 11 mei 2021 een wrakingsverzoek ingediend tegen de rechter die betrokken is bij meerdere bestuursrechtelijke hoofdzaken. Het verzoek richtte zich op de beslissing van de rechter om stukken die verzoeker kort voor de zitting had ingediend buiten beschouwing te laten wegens strijd met de goede procesorde.

De wrakingskamer heeft het verzoek behandeld en geoordeeld dat de beslissing van de rechter een procesbeslissing betreft. Volgens vaste rechtspraak kan een procesbeslissing geen grond voor wraking vormen, ook niet als de motivering daarvan wordt bekritiseerd, tenzij er sprake is van objectief gerechtvaardigde vrees voor partijdigheid, wat hier niet het geval was.

Verzoeker voerde daarnaast dat hij onvoldoende spreektijd had gekregen en dat de rechter zich niet actief opstelde om de materiële waarheid te achterhalen. Ook stelde hij dat de rechter mogelijk belangenverstrengeling vertoonde vanwege een mogelijke toekomstige carrière in de advocatuur. De wrakingskamer oordeelde dat deze aanvullingen te laat waren ingediend en dat de aangevoerde feiten geen gegronde wrakingsgrond opleverden.

De wrakingskamer wees het verzoek af en legde op grond van misbruik van recht een wrakingsverbod op voor toekomstige verzoeken van verzoeker. Tevens werd bepaald dat het proces in de hoofdzaken wordt voortgezet zoals het was ten tijde van het wrakingsverzoek.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek is afgewezen en een wrakingsverbod opgelegd wegens misbruik van recht.

Uitspraak

beslissing

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

[jw.sys.1.zaaknr] / [jw.sys.1.rolnummer_rekestnr][datum_beslissing]
Wrakingskamer
zaaknummer C/15/316136 HA RK 21-89
Beslissing van 3 juni 2021
Op het verzoek tot wraking ingediend door:
[verzoeker] ,wonende te [plaats] , verzoeker,
vertegenwoordigd door zijn gemachtigde mr. B.M.J. Anneveld.
Het verzoek is gericht tegen:
Mr. M.H. Affourtit-Kramer,
hierna te noemen: de rechter.

1.Procesverloop

1.1
Verzoeker heeft op 11 mei 2021 ter zitting de wraking verzocht van de rechter in de bij deze rechtbank, team Bestuur Algemeen, aanhangige zaken met als zaaknummers HAA 20/6715, HAA 20/6716, HAA 20/6688, HAA 20/6197, HAA 20/6198, HAA 20/6326 en HAA 21/196 hierna te noemen: de hoofdzaken.
1.2
De rechter heeft niet in de wraking berust en heeft schriftelijk op het verzoek gereageerd. De wederpartijen in de hoofdzaken hebben schriftelijk aangegeven dat zij niet inhoudelijk wensten te reageren.
1.3
Het verzoek is vervolgens behandeld ter openbare zitting van de wrakingskamer van 20 mei 2021. Verzoeker en de wederpartijen in de hoofdzaken zijn in de gelegenheid gesteld te worden gehoord. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. De wederpartijen in de hoofdzaken hebben in hun schriftelijke reactie aangegeven dat zij van de geboden gelegenheid geen gebruik zouden maken.

2.Verloop van de zitting van 11 mei 2021

2.1
Uit het proces-verbaal van de zitting van 11 mei 2021 in de zaken met zaaknummer HAA 20/6715 en HAA 20/6716 en de schriftelijke reactie van de rechter op het wrakingsverzoek blijkt – kort samengevat en voor zover hier van belang – het volgende over het verloop van de zitting.
De rechter heeft in de zaak met zaaknummer HAA 20/6715 ter zitting aangegeven dat de formele vraag die voorligt, is of verweerder (de Raad van de Amsterdamse Orde van Advocaten) het bezwaar van eiser (verzoeker in deze procedure) tegen het e-mailbericht van 25 april 2019 terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard en dat daartoe dient te worden beoordeeld of het e-mailbericht is aan te merken als een besluit en of het bezwaar tijdig is ingediend. In de tweede zaak lag een Wob-verzoek voor, maar aan de bespreking daarvan is de rechter door het wrakingsverzoek niet toegekomen. De rechter heeft aangegeven dat, indien zij in de procedure met zaaknummer HAA 20/6715 in tegenstelling tot verweerder zou oordelen dat wel sprake is van een besluit, verweerder eerst alsnog inhoudelijk op het bezwaar zal moeten beslissen en dat pas op dat moment het horen van de getuige waarom door eiser is verzocht, van belang zou worden. De rechter heeft daarom het horen van de getuige afgewezen.
De rechter heeft voorts medegedeeld dat zij de stukken die eiser kort voor de zitting (op 8 mei 2021) heeft overgelegd buiten beschouwing zou laten wegens strijd met de goede procesorde, omdat verweerder daarop niet meer adequaat kon reageren en de stukken bovendien niet relevant waren voor de beordeling van de vraag of sprake is van een besluit.

3.Het standpunt van verzoeker

3.1.
Verzoeker heeft ter onderbouwing van het wrakingsverzoek blijkens het proces-verbaal van het verhandelde ter zitting van 11 mei 2021 – samengevat – het volgende aangevoerd.
De materiële waarheidsvinding is in het geding. Het niet meenemen van de stukken is in strijd met artikel 6 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). De beslissing om de stukken buiten beschouwing te laten is onvoldoende gemotiveerd. De rechter moet opkomen voor nadeelcompensatie. De Orde van Advocaten speelt spelletjes met verzoeker. Aan verzoeker wordt alle rechtsbescherming onthouden. Verzoeker doet het wrakingsverzoek in alle zeven zaken die op de zitting van 11 mei 2021 geagendeerd staan.
3.2
Ter zitting van 20 mei 2021 hebben verzoeker en zijn gemachtigde hier – kort samengevat – nog het volgende aan toegevoegd:
Ter zitting van 11 mei 2021 hebben verzoeker en zijn gemachtigde niet voldoende spreektijd gekregen, terwijl de wederpartij alle ruimte kreeg. De rechter had zich actief moeten opstellen om de materiële waarheid te achterhalen en geen juridische constructies moeten bedenken om de wederpartij in het gelijk te stellen. Verzoeker had het gevoel dat het één kant opging en dat hij niet werd gehoord. In dat kader is van belang dat er drie Wob-verzoeken zijn gedaan. Hiervan hadden de resultaten moeten worden afgewacht. Het getuigenverhoor had niet zonder deugdelijke motivering mogen worden afgewezen. Om te kunnen beoordelen of sprake was van een besluit en/of van een verschoonbare termijnoverschrijding bij het indienen van het bezwaar hadden eerst alle materiële feiten moeten worden verzameld. In dat kader was het noodzakelijk het verzochte getuigenverhoor toe te wijzen.
De regel dat je tot tien dagen voor de zitting stukken kunt indienen is geen harde termijn. De stukken waren door de wederpartij zelf geproduceerd. De late indiening leverde daarom geen strijd met de goede procesorde op.
Niet valt uit te sluiten dat de rechter die zelf in de advocatuur heeft gewerkt in de toekomst weer in de advocatuur wil gaan werken en de wederpartij niet tegen zich in het harnas heeft willen jagen. De schijn van partijdigheid blijkt ook uit de omstandigheden dat de rechter eerder door [verzoeker] overgelegde stukken van hoogleraren met betrekking tot de juridische vraag of iets wel of geen besluit is, niet zelf op de zitting aan de orde heeft gesteld en uit de omstandigheid dat het proces-verbaal van 11 mei 2021 foutief en onvolledig is.

4.De beoordeling

4.1.
Een rechter kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Uitgangspunt daarbij is dat de rechter uit hoofde van zijn aanstelling wordt vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing vormen dat een rechter jegens een partij een vooringenomenheid koestert. Daarnaast kan de vrees voor partijdigheid objectief gerechtvaardigd zijn indien sprake is van feiten of omstandigheden die, geheel afgezien van de persoonlijke instelling van de rechter in de hoofdzaak, grond geven om te vrezen dat een rechter niet onpartijdig is, waarbij ook de (te vermijden) schijn van partijdigheid van belang is. Die feiten of omstandigheden moeten zwaarwegende redenen opleveren voor objectiveerbare twijfel aan de onpartijdigheid. Het subjectieve oordeel van verzoeker is voor de beoordeling van beide toetsen wel belangrijk, maar niet doorslaggevend.
4.2
De rechtbank begrijpt uit het proces-verbaal van de zitting van 11 mei 2021 dat het verzoek tot wraking van de rechter is gegrond op haar beslissing ter zitting om de stukken die door verzoeker op zaterdagavond 8 mei 2021 per e-mail aan de rechtbank waren toegestuurd buiten beschouwing te laten. Een dergelijke beslissing is een procesbeslissing. Het is vaste rechtspraak dat een dergelijke beslissing vanwege het gesloten stelsel van rechtsmiddelen in beginsel geen grond voor wraking kan vormen (zie onder meer de uitspraak van de Hoge Raad van 25 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1413). De vraag of een procesbeslissing al dan niet juist moet worden geacht, mag niet door de wrakingskamer worden beantwoord en kan slechts in een eventueel hoger beroep worden getoetst. Ook de motivering van een procesbeslissing kan geen grond vormen voor wraking, zelfs niet indien wordt aangevoerd dat die motivering onjuist, onbegrijpelijk, gebrekkig of te summier zou zijn of een motivering ontbreekt. Dit is uitsluitend anders indien de motivering van de procesbeslissing in het licht van alle omstandigheden van het geval en naar objectieve maatstaven gemeten – bijvoorbeeld door de in de motivering gebezigde bewoordingen – niet anders kan worden verstaan dan als blijk van vooringenomenheid van de rechter die haar heeft gegeven. De wrakingskamer is van oordeel dat hiervan geenszins sprake is.
4.3
Gelet op het voorgaande leveren de door verzoeker aangevoerde feiten en omstandigheden geen grond op voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden door de beslissing van de rechter de stukken buiten beschouwing te laten en vormen deze derhalve geen grond voor wraking.
4.4
Verzoeker heeft zijn verzoek tot wraking ter zitting van 20 mei 2021 verder aangevuld met nieuwe feiten en omstandigheden. Deze aanvullingen zijn tardief, omdat alle feiten en omstandigheden tegelijk moeten worden voorgedragen (artikel 8:16, lid 3, Awb). Ten overvloede overweegt de wrakingskamer dat ook deze gronden geen gegronde wraking opleveren. Voorzover verzoeker nog bedenkingen heeft geuit over een schijn van belangenverstrengeling in verband met een mogelijke toekomstige carriѐre in de advocatuur van de rechter, levert ook deze grond geen gegronde wraking op, aangezien het hier om ongefundeerde speculaties gaat.
4.5
De wrakingskamer zal het verzoek gelet op het voorgaande afwijzen.
4.6
Tot slot ziet de wrakingskamer aanleiding om op de voet van artikel 8:18, vierde lid, van de Awb te bepalen dat een volgend verzoek om wraking niet in behandeling zal worden genomen. Uit het proces-verbaal van de zitting van 11 mei 2021 maakt de wrakingskamer op dat verzoeker alvorens tot wraking over te gaan heeft gedreigd met het wrakingsverzoek als pressiemiddel om de rechter onder druk te zetten alsnog een andere procesbeslissing of beslissingen te nemen. Door het doen van het wrakingsverzoek op de wijze waarop dat is gedaan, heeft verzoeker naar het oordeel van de wrakingskamer zodanig misbruik gemaakt van het recht om de rechter te wraken dat dit een wrakingsverbod rechtvaartigt.

5.Beslissing

De rechtbank
5.1
wijst het verzoek tot wraking van de rechter af,
5.2
bepaalt dat een volgend wrakingsverzoek van verzoeker in de hoofdzaken niet in behandeling wordt genomen,
5.3
beveelt de griffier onverwijld aan verzoeker, de rechter en de wederpartijen in de hoofdzaken een voor eensluidende gewaarmerkt afschrift van deze beslissing toe te zenden,
5.4
beveelt dat het proces in de hoofdzaken wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het indienen van het verzoek.
Deze beslissing is gegeven door mr. E.B. van den Heuvel, voorzitter, mr. Th.S. Röell en mr. H. de Jong, leden van de wrakingskamer, in tegenwoordigheid van mr. S.S. Clements, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 3 juni 2021.[concipiënt_initialen]
griffier voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.