Verdachte werd verdacht van het valselijk opmaken van een arbeidsovereenkomst en twee werkgeversverklaringen voor een hypotheekaanvraag van een medeverdachte. De officier van justitie vorderde een voorwaardelijke gevangenisstraf en een taakstraf.
Verdachte ontkende het bestaan van een fictief dienstverband en stelde dat de medeverdachte daadwerkelijk werkzaamheden verrichtte voor het bedrijf, voornamelijk vanuit huis. De rechtbank constateerde dat het bedrijf een bestaand bedrijf is, met een inschrijving bij de Kamer van Koophandel en een loonopgave aan de Belastingdienst.
Hoewel er vraagtekens waren bij de verhouding tussen het aantal gewerkte uren en het loon, en onduidelijkheid over de aard van de werkzaamheden, waren deze aanwijzingen onvoldoende om wettig en overtuigend bewijs te leveren dat het dienstverband niet bestond en de documenten vals waren. Daarom sprak de rechtbank verdachte vrij van het ten laste gelegde.