ECLI:NL:RBNHO:2021:5886

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
15 juli 2021
Publicatiedatum
15 juli 2021
Zaaknummer
15/840149-10
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e SrArt. 511c SvArt. 578a SvArt. 6:4:18 Sv
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging ontnemingszaak na schikking en betaling conservatoir beslag

De officier van justitie diende op 8 mei 2014 een vordering in tot vaststelling en betaling van wederrechtelijk verkregen voordeel van €198.328,41. De zaak werd behandeld op zittingen in mei en oktober 2014, waarna het onderzoek werd geschorst. Op 1 juli 2021 werd het onderzoek hervat, maar de veroordeelde en zijn raadsvrouw verschenen niet.

De officier van justitie gaf aan dat een schikking was getroffen conform artikel 511c Sv, waarbij de veroordeelde een bedrag van €23.000 aan de Staat zou betalen. Dit bedrag was inmiddels voldaan via conservatoir beslag, zoals bevestigd door het Centraal Justitieel Incasso Bureau. De officier van justitie verzocht daarop om niet-ontvankelijkheid in de vordering.

De rechtbank oordeelde dat door de schikking en betaling de zaak van rechtswege is geëindigd op grond van artikel 578a Sv (thans 6:4:18 Sv). Daarom verklaarde de rechtbank de ontnemingszaak van rechtswege beëindigd en wees het verzoek tot niet-ontvankelijkheid toe.

Uitkomst: De rechtbank verklaart de ontnemingszaak van rechtswege geëindigd na schikking en betaling via conservatoir beslag.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Team Straf, locatie Haarlem
Meervoudige strafkamer
Parketnummer: 15/840149-10
Uitspraakdatum : 1 juli 2021
Vonnis(ex artikel 36e Sr)
Vonnis van de rechtbank Noord-Holland, meervoudige strafkamer, op de vordering van de officier van justitie als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht (Sr) in de zaak tegen:
[veroordeelde],[hierna: de veroordeelde],
geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres]
.

1.De vordering en het procesverloop

Op 8 mei 2014 heeft de officier van justitie een vordering ingediend die strekt tot het vaststellen van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e Sr wordt geschat en het aan de veroordeelde opleggen van de verplichting tot betaling aan de Staat van dat geschatte voordeel tot een bedrag van € 198.328,41.
De vordering is behandeld op de openbare terechtzittingen van 22 mei 2014 en 10 oktober 2014. Tijdens laatstgenoemde zitting is het onderzoek voor onbepaalde tijd geschorst.
De rechtbank heeft het onderzoek ter terechtzitting op 1 juli 2021 hervat. De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. R.P. Peters.
De veroordeelde en zijn raadsvrouw, mr. N.W.A. Dekens, zijn – met voorafgaand bericht – niet verschenen.

2.Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft ter terechtzitting medegedeeld dat op grond van het bepaalde in artikel 511c van het Wetboek van Strafvordering (Sv) een schikking is getroffen tussen het Openbaar Ministerie en de veroordeelde, welke schikking (onder meer) inhoudt de betaling aan de Staat der Nederlanden van een overeengekomen geldbedrag van € 23.000,00. Inmiddels is door middel van het aanwenden van het conservatoir beslag aan de uitvoering van die schikking gevolg gegeven, zoals blijkt uit de brief van 19 juli 2019 van het Centraal Justitieel Incasso Bureau. De officier van justitie verzoekt het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering, zoals zijdens het openbaar ministerie op voorhand aan de verdediging is aangekondigd te zullen vorderen.

3.Beoordeling

De rechtbank stelt vast dat het Openbaar Ministerie een schikking met de veroordeelde is aangegaan tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van het ingevolge artikel 36e Sr voor ontneming vatbare wederrechtelijk verkregen voordeel, en dat aan de termen van de schikking is voldaan. In artikel 578a Sv, dat ten tijde van het voldoen aan de schikking gold (thans artikel 6:4:18 Sv Pro), is bepaald dat door voldoening aan die termen, in het geval de vordering al is ingediend zoals in dit geval, de zaak van rechtswege is geëindigd. Daarom zal de rechtbank verstaan dat de ontnemingszaak van rechtswege is geëindigd.

5.Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing:
Verstaat dat de zaak van rechtswege is geëindigd.
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door:
mr. N. Boots, voorzitter,
mr. P.E. van der Veen en mr. M.S. Lamboo, rechters,
in tegenwoordigheid van de griffier mr. C.M.A. van der Meij,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 1 juli 2021.
Mrs. Boots en Van der Veen zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.