De passagiers hebben een vordering ingesteld tegen de vervoerder Swiss International Air Lines wegens vertraging van hun vlucht van Amsterdam via Zürich naar Florence, waarbij zij de aansluitende vlucht misten. Zij vorderden compensatie op grond van Verordening (EG) nr. 261/2004.
De vervoerder betwistte de vordering en voerde aan dat de vertraging het gevolg was van buitengewone omstandigheden, waaronder meerdere nieuwe slottijden opgelegd door luchtverkeersbeheer en een opschorting van de grondafhandeling vanwege blikseminslagen. De kantonrechter oordeelde dat de vervoerder dit voldoende had onderbouwd met vluchtrapporten en slot history.
Hoewel een deel van de vertraging niet door buitengewone omstandigheden werd veroorzaakt, concludeerde de kantonrechter dat de vertraging op de eindbestemming het gevolg was van doorwerking van buitengewone omstandigheden, waardoor de passagiers de aansluitende vlucht niet konden halen. De vervoerder had de passagiers omgeboekt naar de eerstvolgende vlucht, wat door de passagiers niet is gemotiveerd betwist.
De kantonrechter wees de vordering tot compensatie af en veroordeelde de passagiers tot betaling van de proceskosten. Het vonnis werd gewezen door kantonrechter S.N. Schipper.