ECLI:NL:RBNHO:2021:6103

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
7 juli 2021
Publicatiedatum
20 juli 2021
Zaaknummer
8679365 \ CV FORM 20-6382
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 lid 3 Verordening (EG) nr. 261/2004Art. 7 Verordening (EG) nr. 261/2004Art. 20 lid 2 Verordening (EG) nr. 861/2007
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Passagiers toegewezen compensatie wegens vluchtvertraging van meer dan drie uur

De passagiers hebben een vervoersovereenkomst gesloten met Air Baltic voor een vlucht van Amsterdam via Riga naar Palanga op 28 juli 2018. Door een vertraging op de eerste vlucht hebben zij de aansluitende vlucht gemist en kwamen zij meer dan drie uur later aan op de eindbestemming. De passagiers vorderden compensatie op grond van Verordening (EG) nr. 261/2004.

De vervoerder betwistte de compensatieplicht en stelde dat operationele redenen de vertraging veroorzaakten en dat de passagiers geen recht hadden op compensatie omdat zij geen gebruik maakten van een aangeboden alternatief. De rechtbank oordeelde dat uit de overgelegde stukken niet bleek welk alternatief was aangeboden, waardoor het verweer faalde.

De rechtbank stelde vast dat de passagiers recht hadden op compensatie van € 500,00, vermeerderd met wettelijke rente, en wees ook buitengerechtelijke incassokosten toe, zij het het lagere subsidiaire bedrag. Proceskosten en nakosten werden eveneens toegewezen aan de passagiers. Een certificaat voor de Europese procedure voor geringe vorderingen werd aan de beschikking gehecht.

De beschikking werd door kantonrechter S.N. Schipper in het openbaar uitgesproken en is onherroepelijk omdat hoger beroep niet openstaat.

Uitkomst: De vervoerder is veroordeeld tot betaling van € 590,75 aan compensatie en kosten aan de passagiers wegens vluchtvertraging.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Insolventie
locatie Haarlem
Zaaknr./rolnr.: 8679365 \ CV FORM 20-6382
Uitspraakdatum: 7 juli 2021
Beschikking van de kantonrechter in de zaak van:

1.[passagier sub 1]

2. [passagier sub 2]
beiden wonende te [woonplaats]
verzoekende partij
verder te noemen: de passagiers
gemachtigde: mr. I.G.B. Maertzdorff (EUclaim B.V.)
tegen
de rechtspersoon naar buitenlands recht
Air Baltic Corporation AS
gevestigd te Riga (Letland)
verwerende partij
verder te noemen: de vervoerder
gemachtigde: I. Puriņš

1.Het procesverloop

Dit verloop blijkt uit:
  • het vorderingsformulier (formulier A), ingekomen ter griffie op 23 juli 2020;
  • het antwoordformulier (formulier C), ingekomen ter griffie op 29 september 2020.

2.De feiten

2.1.
De passagiers hebben met de vervoerder een vervoersovereenkomst gesloten op grond waarvan de vervoerder de passagiers diende te vervoeren van Amsterdam via Riga naar Palanga (Litouwen) op 28 juli 2018.
2.2.
De vlucht van Amsterdam naar Riga (hierna: de vlucht) is vertraagd uitgevoerd. De passagiers hebben de aansluitende vlucht naar Palanga gemist en zijn met een vertraging van meer dan drie uur op de eindbestemming aangekomen.
2.3.
De passagiers hebben compensatie van de vervoerder verzocht in verband met voornoemde vertraging.
2.4.
De vervoerder heeft geweigerd tot betaling over te gaan.

3.Het verzoek en het verweer

3.1.
De passagiers verzoeken de vervoerder te veroordelen tot betaling van:
- € 500,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 28 juli 2018 tot aan de dag der algehele voldoening;
- primair € 181,50 subsidiair € 90,75, aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met wettelijke rente;
- de proceskosten en de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.
3.2.
De passagiers baseren het verzoek op de Verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van de verordening (EEG) nr. 295/91 (hierna: de Verordening) en de daarop betrekking hebbende rechtspraak van het Europese Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof).
3.3.
De passagiers stellen dat de vervoerder vanwege de vertraging van de vlucht gehouden is compensatie te betalen conform artikel 7 van Pro de Verordening tot een bedrag van € 500,00. Daarnaast maken de passagiers aanspraak op betaling door de vervoerder van de buitengerechtelijke kosten en de wettelijke rente.
3.4.
De vervoerder betwist de verschuldigdheid en de hoogte van het verzochte. Op het verweer wordt - voor zover relevant - bij de beoordeling van het geschil ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
De kantonrechter stelt ambtshalve vast dat de Nederlandse rechter in deze zaak bevoegd is om van het verzoek kennis te nemen.
4.2.
Vast staat dat de passagiers met een vertraging van meer dan drie uur op de eindbestemming zijn aangekomen. Gelet hierop is de vervoerder op grond van de Verordening in beginsel compensatie aan de passagiers verschuldigd. Dit is anders indien hij kan aantonen dat de vertraging het gevolg is geweest van buitengewone omstandigheden in de zin van artikel 5 lid 3 van Pro de Verordening. Gelet op het arrest Wallentin-Hermann (C-549/07) van het Hof van 22 december 2008 dient de vervoerder in het voorkomende geval aan te tonen dat hij zelfs met de inzet van alle beschikbare materiële en personeelsmiddelen de buitengewone omstandigheden kennelijk niet had kunnen vermijden – behoudens indien hij op het relevante tijdstip onaanvaardbare offers uit het oogpunt van de mogelijkheden van zijn onderneming had gebracht – dat de buitengewone omstandigheden waarmee hij werd geconfronteerd tot de langdurige vertraging van de vlucht leidden.
4.3.
De vervoerder voert aan dat de vlucht wegens operationele redenen vertraagd is uitgevoerd en dat de passagiers geen recht hebben op compensatie, omdat zij geen gebruik hebben gemaakt op de aangeboden alternatieve vervoermiddel. Ter onderbouwing van zijn standpunt verwijst de vervoerder naar ‘Attachment no. 2’ waaruit zou volgen dat de passagiers geen gebruik hebben gemaakt van het geboden alternatief. De kantonrechter oordeelt als volgt.
4.4.
Uit de overgelegde uitdraai van de vervoerder kan niet worden opgemaakt welk alternatief de vervoerder de passagiers heeft aangeboden. ‘Attachment no. 2’ lijkt een uitdraai te zijn van de geboekte vluchten van de passagiers, omdat de vluchtnummers overeenkomen met de bij dagvaarding genoemde oorspronkelijk geboekte vluchten. Het verweer van de vervoerder faalt derhalve. Nu de vervoerder voor het overige geen verweer heeft gevoerd, zal het verzoek tot betaling van de hoofdsom, gelet op de duur van de vertraging van de vlucht, worden toegewezen. De verzochte wettelijke rente over de hoofdsom is als onvoldoende gemotiveerd weersproken toewijsbaar.
4.5.
De passagiers hebben een bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten verzocht. Omdat het onderhavige verzoek geen betrekking heeft op één van de situaties waarin het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) van toepassing is, zal de kantonrechter de vraag of buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd zijn toetsen aan de eisen zoals deze zijn geformuleerd in het rapport Voorwerk II. Voldoende aannemelijk is gemaakt dat buitengerechtelijke werkzaamheden zijn verricht en dat hiervoor door de passagiers kosten zijn gemaakt. De omvang van de buitengerechtelijke incassokosten moet worden getoetst aan de tarieven zoals vervat in het Besluit in plaats van aan de tarieven van het rapport Voorwerk II, omdat de tarieven neergelegd in voornoemd Besluit worden geacht redelijk te zijn. Omdat het primair verzochte bedrag hoger is dan het volgens het Besluit berekende tarief, zullen de subsidiair verzochte buitengerechtelijke incassokosten worden toegewezen. De gevorderde rente over de buitengerechtelijke kosten wordt afgewezen, omdat niet is gesteld of gebleken dat deze kosten daadwerkelijk zijn betaald.
4.6.
De proceskosten komen voor rekening van de vervoerder, omdat hij ongelijk krijgt. Ook de nakosten kunnen worden toegewezen, voor zover deze kosten daadwerkelijk door de passagiers worden gemaakt.
4.7.
Op verzoek van de passagiers zal een certificaat als bedoeld in artikel 20 lid 2 van Pro de Verordening (EG) nr. 861/2007 tot vaststelling van een Europese procedure voor geringe vorderingen aan deze beschikking worden gehecht.

5.De beslissing

De kantonrechter:
5.1.
veroordeelt de vervoerder tot betaling aan de passagiers van € 590,75, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 500,00 vanaf 28 juli 2018 tot aan de dag van de algehele voldoening;
5.2.
veroordeelt de vervoerder tot betaling van de proceskosten die aan de kant van de passagiers tot en met vandaag worden begroot op € 236,00 aan griffierecht en € 124,00 aan salaris gemachtigde, en veroordeelt de vervoerder tot betaling van € 62,00 aan nakosten voor zover deze kosten daadwerkelijk door de passagiers worden gemaakt, vermeerderd met de wettelijke rente over deze bedragen vanaf de datum gelegen 14 dagen na betekening van deze beschikking tot aan de dag van de algehele voldoening;
Deze beschikking is gegeven door mr. S.N. Schipper, kantonrechter, en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter
Tegen deze beschikking staat geen hoger beroep open