De passagier vorderde compensatie van de vervoerder vanwege een vluchtvertraging van meer dan drie uur op grond van Verordening (EG) nr. 261/2004. De vertraging ontstond doordat het vliegtuig op de voorgaande vlucht door blikseminslag werd getroffen, waardoor inspectie en reparatie noodzakelijk waren.
De vervoerder stelde dat deze blikseminslag een buitengewone omstandigheid vormde, waarop zij geen invloed had en die niet inherent is aan haar activiteiten. De rechtbank oordeelde dat de vervoerder dit voldoende had onderbouwd met vluchtrapporten en toelichting.
De rechtbank overwoog dat de vervoerder redelijke maatregelen had getroffen, waaronder het omboeken van de passagier naar een alternatieve vlucht. De passagier kwam dezelfde dag nog aan op de bestemming, waardoor het beroep op buitengewone omstandigheden slaagde en de vordering werd afgewezen.
De passagier werd veroordeeld in de proceskosten. De uitspraak bevestigt dat blikseminslag als buitengewone omstandigheid kan gelden en dat vervoerders niet altijd compensatieplichtig zijn bij dergelijke onvoorziene technische vertragingen.