Uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
1.[belanghebbende 1] ,
[belanghebbende 2] ,
Rechtbank Noord-Holland
In deze civiele zaken staat het verzet tegen de uitdelingslijst van de nalatenschap van een overleden persoon centraal. Verzoeksters kwamen in verzet tegen de uitdelingslijst die door de vereffenaar was neergelegd, waarbij zij stelden dat hun vorderingen onjuist waren opgenomen of dat zij voorrang behoefden te krijgen.
De kantonrechter oordeelde dat de vorderingen van beide partijen concurrente vorderingen zijn met gelijke rangorde conform artikel 4:7 BW Pro, waardoor geen voorrang bestaat. Bewijsstukken die zouden aantonen dat bepaalde vorderingen al betaald waren, werden onvoldoende onderbouwd en daarom niet aanvaard. Ook werd het bezwaar tegen de waardering van de onroerende zaak en de hoogte van het salaris van de vereffenaar grotendeels verworpen, behoudens een aanpassing van het salarisbedrag conform een eerdere beschikking.
De kantonrechter concludeerde dat het verzet ongegrond is en dat partijen ieder hun eigen proceskosten dragen. De uitdelingslijst blijft daarmee vrijwel ongewijzigd, met uitzondering van het aangepaste salaris van de vereffenaar.
Uitkomst: Het verzet tegen de uitdelingslijst wordt ongegrond verklaard en partijen dragen ieder hun eigen proceskosten.