Uitspraak
Rechtbank noord-holland
uitspraak van de meervoudige kamer van 5 augustus 2021 in de zaak tussen
[X] , wonende te [Z] , eiser
de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Amsterdam, verweerder.
Procesverloop
Overwegingen
.
.
Rechtbank Noord-Holland
Eiser, met een aanmerkelijk belang van 50% in een BV die onroerend goed exploiteert, heeft samen met zijn broer de onroerende zaken van de BV overgenomen tegen een koopsom van €8.730.702. De Belastingdienst legde een naheffingsaanslag overdrachtsbelasting op, gebaseerd op een hogere waarde in het economische verkeer van €18.180.000. Eiser maakte bezwaar tegen deze naheffing, maar dit werd afgewezen, waarna beroep werd ingesteld.
De rechtbank oordeelt dat de waarde in het economische verkeer de prijs is die bij verkoop onder normale omstandigheden zou worden betaald. De Belastingdienst heeft met een taxatierapport van een rijkstaxateur aannemelijk gemaakt dat de waarde op de overdrachtsdatum substantieel hoger was dan de aangegeven koopsom. De rechtbank acht de taxatie inclusief de huurovereenkomst met een derde partij, die na renovatie een langdurige huur garandeert, betrouwbaar.
De door eiser overgelegde taxatierapporten hielden onvoldoende rekening met de huurovereenkomst en overschatten renovatiekosten, waardoor deze niet overtuigden. De rechtbank concludeert dat de naheffingsaanslag terecht is opgelegd en verklaart het beroep ongegrond. Er is geen aanleiding voor proceskostenvergoeding.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt dat de naheffingsaanslag overdrachtsbelasting terecht is opgelegd.