Uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
1.De procedure
2.De feiten
Primair:
Rechtbank Noord-Holland
Partijen, een man en een vrouw, hadden een affectieve relatie en woonden samen met een samenlevingsovereenkomst. In december 2017 kochten zij gezamenlijk cryptovaluta, ieder met een inleg van € 10.000,-. De cryptovaluta-accounts staan op naam van de vrouw. Na beëindiging van hun relatie in september 2019 sloten zij in september 2020 een convenant waarin zij afspraken dat de waarde van de cryptovaluta bij feitelijke verdeling binnen een maand na ondertekening bij helfte verdeeld zou worden.
De man vorderde betaling van de helft van de waarde van de cryptovaluta per datum vonnis, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 4 september 2020. De vrouw stelde dat de waardebepaling moest plaatsvinden binnen een maand na ondertekening van het convenant en dat de man geen aanspraak had gemaakt op tijdige verdeling, waardoor de waardebepaling op datum vonnis onredelijk zou zijn.
De rechtbank oordeelde dat de cryptovaluta reeds in het bezit van de vrouw zijn en dat de afrekening binnen een maand na ondertekening van het convenant had moeten plaatsvinden. Omdat de man geen tijdige betaling had gevorderd, werd de waardebepaling vastgesteld op de gemiddelde waarde in de maand na ondertekening (4 september tot 4 oktober 2020). De man werd veroordeeld tot betaling van € 3.301,45 plus wettelijke rente vanaf 4 oktober 2020. Proceskosten werden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt.
Uitkomst: Vrouw wordt veroordeeld tot betaling van € 3.301,45 plus wettelijke rente vanaf 4 oktober 2020.