ECLI:NL:RBNHO:2021:7011
Rechtbank Noord-Holland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Verzet tegen heffing regulier griffierecht ondanks toevoeging door opvolgend advocaat
In deze zaak heeft verzoeker, advocaat van een cliënt, verzet aangetekend tegen de heffing van het reguliere griffierecht van € 952,00. Dit griffierecht was in rekening gebracht terwijl op het moment van verschijning in de procedure nog geen toevoeging door verzoeker kon worden overgelegd.
Verzoeker stelde zich op het standpunt dat hij niet op de hoogte was van het feit dat zijn cliënt een andere advocaat had ingeschakeld die een toevoeging had aangevraagd en verkregen. Deze kennis kwam pas na de heffing van het griffierecht aan het licht. Op grond van artikel 16 lid 2 en Pro lid 4 Wgbz betoogde verzoeker dat het griffierecht verlaagd moest worden tot het tarief voor onvermogenden en dat het teveel betaalde bedrag teruggestort moest worden.
De rechtbank oordeelde dat verzoeker voldoende had onderbouwd dat het ontbreken van de benodigde documenten niet aan hem te wijten was en dat de toevoeging was toegekend vóór het wijzen van het eindvonnis. Daarom was het reguliere griffierecht ten onrechte geheven. De rechtbank verklaarde het verzet gegrond en beval terugbetaling van het teveel betaalde griffierecht.
Uitkomst: Het verzet tegen de heffing van het reguliere griffierecht wordt gegrond verklaard en het teveel betaalde bedrag wordt terugbetaald.