ECLI:NL:RBNHO:2021:7011

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
18 augustus 2021
Publicatiedatum
19 augustus 2021
Zaaknummer
C/15/317583 / HA RK 21-111
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 16 WgbzArt. 29 lid 1 WgbzArt. 3 lid 3 WgbzArt. 1.4.1 Procesreglement verzoekschriftprocedures
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen heffing regulier griffierecht ondanks toevoeging door opvolgend advocaat

In deze zaak heeft verzoeker, advocaat van een cliënt, verzet aangetekend tegen de heffing van het reguliere griffierecht van € 952,00. Dit griffierecht was in rekening gebracht terwijl op het moment van verschijning in de procedure nog geen toevoeging door verzoeker kon worden overgelegd.

Verzoeker stelde zich op het standpunt dat hij niet op de hoogte was van het feit dat zijn cliënt een andere advocaat had ingeschakeld die een toevoeging had aangevraagd en verkregen. Deze kennis kwam pas na de heffing van het griffierecht aan het licht. Op grond van artikel 16 lid 2 en Pro lid 4 Wgbz betoogde verzoeker dat het griffierecht verlaagd moest worden tot het tarief voor onvermogenden en dat het teveel betaalde bedrag teruggestort moest worden.

De rechtbank oordeelde dat verzoeker voldoende had onderbouwd dat het ontbreken van de benodigde documenten niet aan hem te wijten was en dat de toevoeging was toegekend vóór het wijzen van het eindvonnis. Daarom was het reguliere griffierecht ten onrechte geheven. De rechtbank verklaarde het verzet gegrond en beval terugbetaling van het teveel betaalde griffierecht.

Uitkomst: Het verzet tegen de heffing van het reguliere griffierecht wordt gegrond verklaard en het teveel betaalde bedrag wordt terugbetaald.

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Bewind
Zittingsplaats Alkmaar
zaaknummer / rekestnummer: C/15/319370 / HA RK 21/162
Beschikking van 18 augustus 2021
in de zaak van
MR. JOHANNES HERMANUS FRANCISCUS OVERKLEEFT,
advocaat, kantoorhoudende te Hoorn (NH),
opposant,
en
DE GRIFFIER VAN DE RECHTBANK NOORD-HOLLAND,
gevestigd te Alkmaar,
verweerder.
Partijen worden hierna Overkleeft en de griffier genoemd.

1.De procedure

1.1.
Op de griffie van deze rechtbank is op 6 augustus 2021 een verzetschrift binnengekomen ingevolge het bepaalde in artikel 29 lid 1 Wet Pro griffierechten burgerlijke zaken (Wgbz), waarbij verzoeker (tijdig) in verzet is gekomen tegen de beslissing van de griffier tot heffing van het griffierecht ten bedrage van € 952,00.
1.2.
Van een mondelinge behandeling is afgezien gelet op het bepaalde in artikel 1.4.1 van het toepasselijke Procesreglement verzoekschriftprocedures.

2.De feiten

2.1.
In een zaak tegen een voormalig cliënt van verzoeker, de heer [xxx] (hierna: [xxx] ), is op 1 juli 2021 een dagvaarding uitgebracht. Verzoeker heeft zich op de eerste rolzitting, zijnde die van 14 juli 2021, namens [xxx] gesteld. De procedure is aanhangig bij deze rechtbank en ingeschreven onder zaak-/rolnummer C/15/318260 / HA ZA 21/381.
2.2.
De griffier heeft een bedrag van € 952,00 aan griffierecht in rekening gebracht, welk bedrag op 2 augustus 2021 door verzoeker, als advocaat van [xxx] , is betaald.

3.De beoordeling

3.1.
Op grond van het bepaalde in artikel 3 lid 3 Wgbz Pro is verzoeker het griffierecht verschuldigd vanaf de verschijning in het geding door gedaagde. In artikel 16 Wgbz Pro is onder meer bepaald dat het tarief van het griffierecht voor onvermogenden wordt geheven, indien op het tijdstip waarop het griffierecht wordt geheven een afschrift van een toevoeging is overgelegd (lid 1) of, indien het overleggen van een afschrift van een toevoeging door een partij (nog) niet mogelijk is, een afschrift van de toevoegingsaanvraag (lid 2). Kan een partij op het tijdstip waarop het griffierecht wordt geheven geen van de hiervoor bedoelde stukken overleggen ten gevolge van omstandigheden die redelijkerwijs niet aan haar zijn toe te rekenen, dan wordt het griffierecht verlaagd tot het tarief van het griffierecht voor onvermogenden en wordt het te veel betaalde griffierecht teruggestort (lid 4).
3.2.
Volgens verzoeker heeft [xxx] zich – buiten medeweten van verzoeker – gewend tot een andere (opvolgend) advocaat, mr. Van Halderen. Op het moment dat verzoeker zich stelde voor [xxx] (14 juli 2021), was hij er niet mee bekend dat [xxx] al van advocaat was gewisseld. Van Halderen heeft op 8 juli 2021 een toevoeging aangevraagd voor [xxx] . Aan [xxx] is een toevoeging verstrekt op 15 juli 2021. Eerst op 3 augustus 2021 is verzoeker er mee bekend geraakt dat deze toevoeging was afgegeven. Verzoeker doet een beroep op artikel 16 lid 2 in Pro samenhang met lid 4 Wgbz, omdat hij op het moment waarop het griffierecht werd geheven, nog geen stukken als bedoeld in artikel 16 lid 1 of Pro 2 Wgbz kon overleggen door omstandigheden die niet aan hem zijn toe te rekenen. Hij wist namelijk niet dat [xxx] van advocaat was gewisseld en dat die andere advocaat een toevoeging voor [xxx] had aangevraagd. Verzoeker verzoekt het griffierecht te verlagen tot het griffierecht voor onvermogenden en het teveel betaalde griffierecht terug te betalen.
3.3.
Aanvankelijk is aan verzoeker, als advocaat van [xxx] , het reguliere griffierecht voor natuurlijke personen (en niet voor onvermogenden) in rekening gebracht, omdat er geen documenten als bedoeld in artikel 16 lid 1 of Pro 2 Wgbz waren overgelegd. Het feit dat verzoeker door [xxx] niet in kennis was gesteld dat hij een andere, opvolgend advocaat had aangezocht en via die advocaat een toevoeging had aangevraagd, betekent dat verzoeker niet eerder dan 3 augustus 2021 wist of behoorde te weten van de toevoegingsaanvraag. De rechtbank is dan ook van oordeel dat door verzoeker voldoende is onderbouwd dat de omstandigheid dat de benodigde documenten niet zijn overgelegd (bij het stellen op 14 juli 2021) niet aan hem toe te rekenen is. Daar komt bij dat het besluit tot toevoeging is overgelegd vóór het wijzen van eindvonnis (overeenkomstig artikel 16 lid 4 Wgbz Pro).
3.4.
Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de griffier van deze rechtbank ten onrechte een griffierecht van € 952,00 in rekening heeft gebracht, in plaats van de verschuldigde € 85,00. De rechtbank zal derhalve het verzet gegrond verklaren.

4.De beslissing

De rechtbank
4.1.
verklaart het verzet gegrond,
4.2.
draagt de griffier van deze rechtbank op om het teveel in rekening gebrachte griffierecht ten bedrage van € 867,00 aan verzoeker te retourneren op bankrekeningnummer NL 44 ABNA [bankrekeningnr.] t.n.v. mr. J.H.F. Overkleeft o.v.v. dossiernummer [yyy] .
Deze beschikking is gegeven door mr. A.C. Haverkate en in het openbaar uitgesproken op 18 augustus 2021. [1]

Voetnoten

1.type: IEV