ECLI:NL:RBNHO:2021:742
Rechtbank Noord-Holland
- Op tegenspraak
- Rechtspraak.nl
Passagier vordert compensatie wegens geannuleerde vlucht tegen vervoerder
De passagier heeft een vordering ingesteld tegen de vervoerder wegens annulering van een vlucht van Amsterdam naar Tel Aviv op 1 augustus 2018. De passagier vordert €400 compensatie conform artikel 7 van Pro Verordening (EG) nr. 261/2004, vermeerderd met wettelijke rente en incassokosten.
De vervoerder verweert zich met een beroep op artikel 2.4.4 van haar algemene voorwaarden, dat stelt dat claims eerst rechtstreeks aan de vervoerder moeten worden gemeld en dat een redelijke reactietermijn van 30 werkdagen moet worden gegund. Dit beding is echter door de rechtbank eerder als oneerlijk aangemerkt en vernietigd, zodat het buiten toepassing blijft.
De rechtbank oordeelt dat de vervoerder de hoofdsom van €400 en de wettelijke rente vanaf de datum van de vlucht verschuldigd is. De vordering tot buitengerechtelijke incassokosten wordt afgewezen omdat niet is gebleken dat werkzaamheden zijn verricht in die fase. De proceskosten worden toegewezen aan de vervoerder en komen voor rekening van de passagier, omdat de procedure onnodig is gestart zonder eerst een redelijke termijn te gunnen.
Het vonnis veroordeelt de vervoerder tot betaling van €400 plus rente, wijst de incassokosten af en legt de proceskosten bij de passagier. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Uitkomst: De vervoerder wordt veroordeeld tot betaling van €400 compensatie plus wettelijke rente vanaf 1 augustus 2018; incassokosten worden afgewezen en proceskosten komen voor rekening van de passagier.