De passagier vorderde compensatie van €600 op grond van Verordening (EG) nr. 261/2004 wegens annulering van vlucht LH986 van Frankfurt naar Amsterdam op 21 mei 2019.
De vervoerder verweerde zich met het argument dat de annulering het gevolg was van buitengewone omstandigheden, namelijk het intrekken en verplaatsen van slottijden door de luchtverkeersleiding vanwege beperkte landingsbanen in Amsterdam.
De kantonrechter oordeelde dat het opleggen van nieuwe slottijden door de luchtverkeersleiding buiten de macht van de vervoerder ligt en dat het niet redelijk was van de vervoerder te verlangen het toestel beschikbaar te houden tot een nader te bepalen vertrektijd. Hierdoor was de annulering gerechtvaardigd en bestond geen compensatieplicht.
De vordering werd afgewezen en de passagier werd veroordeeld in de proceskosten.