ECLI:NL:RBNHO:2021:7561

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
1 september 2021
Publicatiedatum
2 september 2021
Zaaknummer
8284554 CV EXPL 20-850
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Verordening (EG) nr. 261/2004artikel 5 lid 1 sub c Verordening (EG) nr. 261/2004artikel 5 lid 3 Verordening (EG) nr. 261/2004artikel 7 Verordening (EG) nr. 261/2004
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing compensatieclaim passagier wegens annulering vlucht door buitengewone omstandigheden

De passagier vorderde compensatie van €600 op grond van Verordening (EG) nr. 261/2004 wegens annulering van vlucht LH986 van Frankfurt naar Amsterdam op 21 mei 2019.

De vervoerder verweerde zich met het argument dat de annulering het gevolg was van buitengewone omstandigheden, namelijk het intrekken en verplaatsen van slottijden door de luchtverkeersleiding vanwege beperkte landingsbanen in Amsterdam.

De kantonrechter oordeelde dat het opleggen van nieuwe slottijden door de luchtverkeersleiding buiten de macht van de vervoerder ligt en dat het niet redelijk was van de vervoerder te verlangen het toestel beschikbaar te houden tot een nader te bepalen vertrektijd. Hierdoor was de annulering gerechtvaardigd en bestond geen compensatieplicht.

De vordering werd afgewezen en de passagier werd veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: De vordering tot compensatie wegens annulering van de vlucht wordt afgewezen wegens buitengewone omstandigheden.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Insolventie
locatie Haarlem
Zaaknr./rolnr.: 8284554 \ CV EXPL 20-850
Uitspraakdatum: 1 september 2021
Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:
[de passagier]
wonende te [woonplaats]
eiser
hierna te noemen de passagier
gemachtigde mr. D.E. Lof
tegen
de rechtspersoon naar buitenlands recht
Deutsche Lufthansa Aktiengesellschaft
gevestigd te Keulen (Duitsland)
gedaagde
hierna te noemen de vervoerder
gemachtigde mr. E.C. Douma

1.Het procesverloop

1.1.
De passagier heeft bij dagvaarding van 18 december 2019 een vordering tegen de vervoerder ingesteld. De vervoerder heeft schriftelijk geantwoord.
1.2.
De passagier heeft hierop schriftelijk gereageerd, waarna de vervoerder een schriftelijke reactie heeft gegeven.

2.De feiten

2.1.
De passagier heeft met de vervoerder een vervoersovereenkomst gesloten op grond waarvan de vervoerder de passagier diende te vervoeren van Detroit (Verenigde Staten) naar Frankfurt (Duitsland) en aansluitend van Frankfurt naar Amsterdam op 21 mei 2019.
2.2.
De vlucht van Frankfurt naar Amsterdam met vluchtnummer LH986 (hierna de vlucht) is geannuleerd.
2.3.
Airhelp heeft namens de passagier compensatie van de vervoerder gevorderd in verband met voornoemde annulering.
2.4.
De vervoerder heeft geweigerd tot betaling over te gaan.

3.De vordering

3.1.
De passagier vordert dat de vervoerder bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis veroordeeld zal worden tot betaling van:
- € 600,00, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de datum van de vlucht tot aan de dag der algehele voldoening;
- € 90,00 aan buitengerechtelijke incassokosten;
- de proceskosten, te vermeerderen met wettelijke rente.
3.2.
De passagier heeft aan de vordering ten grondslag gelegd de Verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van de verordening (EEG) nr. 295/91 (hierna: de Verordening) en de daarop betrekking hebbende rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof). De passagier stelt dat de vervoerder vanwege de vertraging van de vlucht gehouden is de passagier te compenseren conform artikel 7 van Pro de Verordening tot een bedrag van € 600,00.
3.3.
De vervoerder betwist de vordering. Op haar verweer wordt bij de beoordeling ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
De kantonrechter stelt ambtshalve vast dat de Nederlandse rechter in deze zaak bevoegd is om van de vordering kennis te nemen.
4.2.
De vervoerder heeft betoogd dat de passagier niet aan zijn substantiëringsplicht heeft voldaan omdat hij heeft nagelaten te vermelden hoe laat hij in Amsterdam is aangekomen en met welk vervoer. De kantonrechter overweegt dat de substantiëringsplicht niet inhoudt dat de passagier de exacte aankomsttijd op de eindbestemming en de manier waarop hij daarheen is vervoerd moet vermelden, maar dat hij de bij hem bekende verweren van gedaagde en de gronden daarvoor dienen te vermelden, zodat het geschil reeds in de dagvaarding zo volledig mogelijk wordt weergegeven, hetgeen de passagier in de dagvaarding heeft gedaan. De kantonrechter zal dan ook aan dit verweer van de vervoerder voorbijgaan.
4.3.
Niet in geschil is dat de vlucht is geannuleerd. Nu gesteld, noch gebleken is dat de vervoerder zich kan beroepen op artikel 5, eerste lid, onder c sub i, ii of iii van de Verordening, geldt er in beginsel een compensatieplicht voor de vervoerder. Dit is anders indien de vervoerder kan aantonen dat de annulering het gevolg is van buitengewone omstandigheden als bedoeld in artikel 5, lid 3, van de Verordening. In de punten 14 en 15 van de considerans van de Verordening staat dat dergelijke omstandigheden zich onder meer kunnen voordoen in geval van onverwachte vliegveiligheidsproblemen, weersomstandigheden die de uitvoering van de vlucht in kwestie verhinderen en wanneer een besluit van de luchtverkeersleiding voor een specifiek toestel op een specifieke dag een langdurige vertraging, een vertraging van een nacht of de annulering van één of meer vluchten van dat vliegtuig veroorzaakt.
4.4.
De vervoerder voert in dat verband aan dat de vlucht is geannuleerd omdat de luchtverkeersleiding het oorspronkelijk slot introk en een slot van meer dan drie uur later toekende. Om 05:46 uur UTC was het vooruitzicht - dat geen zekerheid bood - dat vlucht LH986 om 09:16 uur UTC zou kunnen vertrekken, terwijl de schema vertrektijd 06:10 uur UTC was. Uit het vluchtrapport volgt dat in Amsterdam slechts één landingsbaan beschikbaar was, hetgeen leidde tot slot vertragingen van meer dan 150 minuten. Het vasthouden van het vliegtuig om later op de dag alsnog de vlucht uit te laten voeren, zou betekenen dat andere rotatievluchten niet of met heel veel vertraging zouden worden uitgevoerd. Het zou de dienstregeling zeer, onaanvaardbaar, verstoren, aldus de vervoerder.
4.5.
Onbetwist is dat de luchtverkeersleiding een nieuwe slottijd heeft opgelegd aan de vlucht. De passagier heeft gesteld dat het een operationele keuze van de vervoerder is geweest om de vlucht te annuleren. De vervoerder heeft hiertegen aangevoerd dat het geen zin heeft om een vliegtuig en bemanning vast te houden tot een onbekend tijdstip waarop het mag vertrekken. Dit betekent niet alleen dat materiaal en personeel niet doelmatig wordt ingezet, maar ook dat latere door het vliegtuig uit te voeren vluchten met grote vertragingen worden uitgevoerd, hetgeen de passagiers van die latere uit te voeren vluchten dupeert. Voorts kan de vervoerder hierdoor de passagiers zo vroeg mogelijk informeren over de annulering en alternatief vervoer aanbieden.
4.6.
De kantonrechter is van oordeel dat het opleggen van een nieuw slot door de luchtverkeersleiding kan worden gezien als een besluit van de luchtverkeersleiding ten aanzien van een specifiek vliegtuig op een specifieke dag in de zin van overweging 15 van de considerans van de Verordening. De vervoerder heeft voldoende aangetoond dat luchtverkeersbeheer meerdere nieuwe slottijden heeft opgelegd aan de vlucht. Een nieuw slot opgelegd door luchtverkeersbeheer is niet inherent aan de normale bedrijfsuitoefening en ligt buiten de macht van een luchtvaartmaatschappij. De vervoerder dient immers altijd een door luchtverkeersbeheer afgegeven slot op te volgen. Niet uitgesloten is dat luchtverkeersbeheer na het opleggen van een slot met een latere vertrektijd, een slot kan opleggen met een eerdere vertrektijd. De kantonrechter is echter van oordeel dat van de vervoerder in het onderhavige geval, waarbij het vooruitzicht was dat de vlucht met een vertraging van 186 minuten moest worden uitgevoerd, niet gehouden is te wachten op een mogelijke nieuwe slottijd met een eerdere vertrektijd. Niet in geschil is dat het toestel dat de onderhavige vlucht zou uitvoeren, niet alleen de rotatievlucht LH986 / 987 zou uitvoeren, maar ook andere daarop volgende rotatievluchten naar andere bestemmingen. Met de vervoerder is de kantonrechter van oordeel dat niet van de vervoerder gevergd kan worden dat zij in het onderhavige geval het toestel beschikbaar houdt tot een door de luchtverkeersleiding nader te bepalen moment en daarmee niet in staat is om ook de opvolgende vluchten tijdig uit te voeren. De kantonrechter is dan ook van oordeel dat de annulering van de vlucht het gevolg is van buitengewone omstandigheden. Uit het voorgaande volgt dat de vervoerder ook geen redelijke maatregelen kon nemen om de annulering te voorkomen.
4.7.
Gelet op het voorgaande zal de vordering worden afgewezen. De proceskosten komen voor rekening van de passagier, omdat hij ongelijk krijgt.

5.De beslissing

De kantonrechter:
5.1.
wijst de vordering af;
5.2.
veroordeelt de passagier tot betaling van de proceskosten, die tot en met vandaag voor de vervoerder worden vastgesteld op een bedrag van € 248,00 aan salaris van de gemachtigde van de vervoerder;
5.3.
verklaart dit vonnis, voor wat betreft de proceskostenveroordeling, uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.N. Schipper, kantonrechter en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter