Uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
1.Het procesverloop
- de tussenbeschikking van 17 februari 2021;
- de akte van de passagiers van 21 april 2021;
- de antwoordakte van de vervoerder van 14 juli 2021.
Rechtbank Noord-Holland
In deze luchtvaartzaak vordert de passagier dat de Nederlandse rechter bevoegd is om kennis te nemen van het geschil met de buitenlandse vervoerder Air Canada, gevestigd in Canada. De passagier stelde dat de Europese Verordening betreffende de rechterlijke bevoegdheid (EPGV) van toepassing is, mede vanwege een kantoor van de vervoerder in Duitsland en domiciliekeuze in Brussel.
De kantonrechter stelt vast dat de statutaire zetel van de vervoerder in Canada ligt en dat de passagier onvoldoende heeft onderbouwd dat er een hoofdvestiging in een lidstaat van de EU is. De domiciliekeuze in Brussel kan de passagier niet baten volgens artikel 3 lid 3 EPGV Pro. Daarom is geen sprake van een grensoverschrijdende zaak in de zin van de EPGV.
De kantonrechter bepaalt dat de procedure wordt voortgezet volgens de regels van de dagvaardingsprocedure en dat de zaak op 6 oktober 2021 op de rol komt voor vonnis. Alle verdere beslissingen worden aangehouden. Tegen deze beschikking staat geen hoger beroep open.
Uitkomst: De procedure wordt voortgezet volgens de dagvaardingsprocedure en de Nederlandse rechter is bevoegd, maar de EPGV is niet van toepassing.