ECLI:NL:RBNHO:2021:7915

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
16 september 2021
Publicatiedatum
13 september 2021
Zaaknummer
HAA 21/748 V
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Verzet
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:17 AwbArt. 8:54 AwbBesluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen niet-ontvankelijkverklaring beroep wegens niet-zenden stukken aan gemachtigde gegrond verklaard

Opposant heeft beroep ingesteld tegen een uitspraak op bezwaar van de inspecteur van de Belastingdienst. De rechtbank had dit beroep niet-ontvankelijk verklaard omdat het beroep niet binnen de termijn zou zijn ingediend.

In het verzet stelt opposant dat de inspecteur de uitspraak op bezwaar niet aan zijn gemachtigde heeft gestuurd, terwijl dit volgens artikel 6:17 Awb Pro verplicht is. De gemachtigde werd pas rond 29 december 2020 bekend met de uitspraak en heeft binnen zes weken daarna beroep ingesteld.

De rechtbank oordeelt dat de inspecteur nog niet de kans heeft gehad om te reageren op deze stelling en dat daarom niet kan worden vastgesteld wanneer de uitspraak op bezwaar correct is bekendgemaakt. Hierdoor kan niet worden aangenomen dat het beroep buiten de termijn is ingediend.

Het verzet wordt gegrond verklaard, de eerdere niet-ontvankelijkverklaring vervalt en de zaak wordt opnieuw behandeld met een zitting. De rechtbank veroordeelt de inspecteur tot betaling van de proceskosten van €374.

Uitkomst: Het verzet wordt gegrond verklaard, de niet-ontvankelijkverklaring vervalt en de zaak wordt op zitting behandeld; de inspecteur wordt veroordeeld tot betaling van €374 proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 21/748 V

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 september 2021 op het verzet van

[X] , te [Z] , opposant

(gemachtigde: J.A. Klaver).

Procesverloop

Opposant heeft beroep ingesteld tegen de uitspraak op bezwaar van 16 april 2020 van de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Heerlen.
Bij uitspraak van 4 mei 2021 heeft de rechtbank dat beroep niet-ontvankelijk verklaard.
Opposant heeft tegen deze uitspraak verzet ingesteld.
De inspecteur van de Belastingdienst heeft bij brief van 22 juli 2021 op het
verzetschrift gereageerd.

Overwegingen

1. De rechtbank heeft in de beroepszaak uitspraak gedaan zonder zitting. Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) biedt die mogelijkheid als het eindoordeel buiten redelijke twijfel staat. De rechtbank heeft het beroep kennelijk niet-ontvankelijk geacht. De reden hiervoor is dat het beroepschrift niet binnen de beroepstermijn zou zijn ingediend.
2. In deze verzetzaak beoordeelt de rechtbank uitsluitend of zij in de buiten-zittinguitspraak terecht heeft geoordeeld dat buiten redelijke twijfel is dat het beroep niet-ontvankelijk is.
3. Opposant voert in verzet aan dat hij het niet eens is met de uitspraak van de rechtbank. Opposant stelt hiertoe dat de inspecteur de uitspraak op bezwaar aan opposant zelf heeft toegezonden en niet aan zijn gemachtigde. De gemachtigde is rond 29 december 2020 bekend geraakt met de uitspraak op bezwaar. De gemachtigde heeft binnen zes weken, nadat hij kennis heeft genomen van die uitspraak, beroep ingesteld bij de rechtbank. Het beroep is tijdig ingediend, aldus nog steeds opposant.
4. De verzetrechter overweegt als volgt. Artikel 6:17 van Pro de Awb bepaalt dat indien iemand zich laat vertegenwoordigen, het orgaan dat bevoegd is op het bezwaar te beslissen, de op de zaak betrekking hebbende stukken in ieder geval aan de gemachtigde zendt.
De uitspraak op bezwaar is gedagtekend 16 april 2020. De gemachtigde van opposant stelt dat de inspecteur van de Belastingdienst deze uitspraak ten onrechte niet overeenkomstig het bepaalde in artikel 6:17 van Pro de Awb aan hem heeft toegestuurd en dat hij rond 29 december 2020 bekend is geraakt met de uitspraak op bezwaar. De inspecteur van de Belastingdienst is door de rechtbank nog niet in de gelegenheid gesteld om op deze stellingen van opposant te reageren. Gelet hierop kan vooralsnog niet worden vastgesteld wanneer de inspecteur de uitspraak op bezwaar op de voorgeschreven wijze heeft bekendgemaakt en had de rechtbank het beroep niet vereenvoudigd (buiten zitting) kunnen afdoen.
5. Het verzet dient daarom gegrond te worden verklaard. Dat betekent dat de buiten-zittinguitspraak vervalt en de rechtbank het onderzoek hervat in de stand waarin dat zich bevond voordat die buiten-zittinguitspraak werd gedaan. De zaak wordt hierna alsnog op een zitting behandeld. Ter voorlichting merkt de rechtbank op dat na het onderzoek ter zitting het eindoordeel kan zijn dat het beroep niet-ontvankelijk is.
6 De rechtbank veroordeelt de inspecteur van de Belastingdienst voor de in verzet gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 374 (0,5 punt voor het indienen van het verzetschrift, met een waarde per punt van € 748 en wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het verzet gegrond;
  • veroordeelt de inspecteur van de Belastingdienst in de kosten van het verzet van opposant tot een bedrag van € 374.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.K.A. Efstratiades, rechter, in aanwezigheid van
N. Joacim, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.