Hoist Finance vordert betaling van €25.000,00 van [gedaagden] wegens opeising van het restant van een doorlopend krediet dat op 30 april 2014 door de oorspronkelijke kredietverstrekker ineens werd opgeëist. Hoist stelt dat zij [gedaagden] alsnog in gebreke heeft gesteld via de dagvaarding, waardoor het saldo opeisbaar is.
[gedaagden] betwist de vordering en voert onder meer verjaring aan en stelt dat de bank haar zorgplicht heeft geschonden door het krediet onverantwoord te verstrekken. De rechtbank oordeelt dat de dagvaarding niet voldoet aan de eisen van een ingebrekestelling zoals bedoeld in artikel 6:82 BWPro, omdat de termijn onredelijk is en tegelijk tot opeising wordt overgegaan.
Daarom kan de grondslag van de vordering niet dragen en wordt de vordering afgewezen. Ook het verzoek om vergoeding wegens schending van de zorgplicht wordt afgewezen, omdat geen schending is vastgesteld en geen tegenvordering is ingesteld.
De proceskosten worden aan Hoist opgelegd, maar gesteld op nihil omdat [gedaagden] in persoon procedeert.
Uitkomst: De vordering van Hoist Finance wordt afgewezen wegens ontbreken van een geldige ingebrekestelling.
Uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Handel, Kanton en Bewind
locatie Alkmaar
Zaaknr./rolnr.: 9071673 \ CV EXPL 21-1217 (IL)
Uitspraakdatum: 15 september 2021
Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:
de rechtspersoon naar Zweeds recht Hoist Finance AB
gevestigd te Stockholm, Zweden
eiseres
verder te noemen: Hoist
gemachtigde: Gerechtsdeurwaarderskantoor De Kluijver
tegen
1.[gedaagde 1]
2. [gedaagde 2]
beiden wonende te [woonplaats]
gedaagden
verder gezamenlijk in enkelvoud te noemen: [gedaagden]
procederend in persoon
1.Het procesverloop
1.1.
Hoist heeft bij dagvaarding van 12 februari 2021 een vordering tegen [gedaagden] ingesteld. [gedaagden] heeft schriftelijk geantwoord.
1.2.
Op 18 augustus 2021 heeft een zitting plaatsgevonden. Hoist is verschenen bij haar gemachtigde (mr. B.E. Revelman de Vries van Gerechtsdeurwaarderskantoor De Kluijver). [gedaagde 1] en [gedaagde 2] zijn in persoon verschenen. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen ter toelichting van hun standpunten naar voren hebben gebracht. [gedaagden] heeft gebruik gemaakt van aantekeningen, die zijn overgelegd. Voorafgaand aan de zitting heeft Hoist bij brief van 6 augustus 2021 nog stukken toegezonden.
2.De feiten
2.1.
[gedaagden] heeft op 25 juli 2008 een kredietovereenkomst met VoordeelBank B.V. (onderdeel van InterBank N.V.) gesloten. Het gaat om een doorlopend krediet van maximaal € 50.000,00. Overeengekomen is dat [gedaagden] de eerste vijf jaar van de overeenkomst een kredietvergoeding van minimaal € 50,00 per maand (aflossingsvrij) zal betalen (artikel 2 vanPro de kredietovereenkomst). Deze periode is niet verlengd.
2.2.
Op de kredietovereenkomst zijn de Algemene Voorwaarden Doorlopend Krediet van toepassing.
2.3.
[gedaagden] heeft tot omstreeks mei 2014 voldaan aan zijn verplichting om het maandbedrag te betalen.
2.4.
Op 30 april 2014 heeft InterBank het krediet ineens opgeëist.
2.5.
Hoist heeft de vordering van VoordeelBank/InterBank op [gedaagden] overgenomen.
3.De vordering
3.1.
Hoist vordert dat de kantonrechter [gedaagden] hoofdelijk veroordeelt tot betaling van € 25.000,00, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf dagvaarding (12 februari 2021).
3.2.
Hoist legt aan de vordering ten grondslag – kort weergegeven – dat het krediet op grond van artikel 9a van de algemene voorwaarden ineens opeisbaar is. Omdat de ingebrekestelling voorafgaand aan de opeising van 30 april 2014 niet voorhanden is, is [gedaagden] in de inleidende dagvaarding alsnog in gebreke gesteld ten aanzien van het verschuldigde bedrag. Dat bedrag is nu dus ineens opeisbaar. Het openstaande saldo exclusief kredietvergoeding bedraagt € 28.912,04. Hoist beperkt haar vordering tot € 25.000,00 onder afstand van het meerdere.
4.Het verweer
4.1.
[gedaagden] c.s. betwist de vordering. [gedaagden] voert onder meer het volgende aan, samengevat. Het krediet is op 30 april 2014 opgeëist. De vordering is verjaard. De VoordeelBank/InterBank heeft haar zorgplicht geschonden, omdat het gelet op het inkomen en de maandlasten van [gedaagden] onverantwoord was om het krediet te verstrekken. Ten tijde van de opeising van het krediet op 30 april 2014 was er geen betalingsachterstand. [gedaagden] wil weten voor welk bedrag Hoist de vordering heeft gekocht. [gedaagden] maakt verder bezwaar tegen de gevorderde uitvoerbaarheid bij voorraad van het vonnis.
5.De beoordeling
de bevoegdheid
5.1.
De kantonrechter overweegt volledigheidshalve dat de Nederlandse rechter bevoegd is om van de vordering kennis te nemen op basis van artikel 4 vanPro de Brussel I bis-Verordening (verordening (EU) 1215/2012).
het toepasselijk recht
5.2.
In artikel 17 vanPro de algemene voorwaarden is bepaald dat het Nederlands recht op de kredietovereenkomst van toepassing is. Ter zitting hebben partijen aangegeven dat zij het daarmee eens zijn. De kantonrechter gaat daarom uit van het Nederlands recht.
de grondslag van de vordering
5.3.
Hoist baseert de vordering op artikel 9a van de algemene voorwaarden. Op grond van die bepaling is het verschuldigde bedrag op 30 april 2014 opgeëist. Omdat de daaraan voorafgegane ingebrekestelling niet voorhanden is, heeft Hoist [gedaagden] alsnog in de inleidende dagvaarding in gebreke gesteld. Volgens Hoist is het restant van het geleende bedrag na het verstrijken van de in de dagvaarding gestelde termijn (acht dagen na 12 februari 2021) ineens opeisbaar. Hoist beroept zich dan ook op deze laatste opeising. [gedaagden] baseert zijn verweer op de eerdere opeising van 30 april 2014.
5.4.
De kantonrechter moet de vordering beoordelen op basis van de door Hoist gestelde grondslag en zal daarom eerst beoordelen of die grondslag de vordering kan dragen.
5.5.
Artikel 9a van de algemene voorwaarden bepaalt onder meer:
In de hierna sub a-f genoemde gevallen is Kredietgever gerechtigd betaling ineens te eisen van het krachtens deze overeenkomst verschuldigde, eventueel te vermeerderen met vertragingsvergoeding:
a) Cliënt meer dan twee maanden achterstallig is in de betaling van een vervallen maandtermijn en na in gebreke te zijn gesteld nalatig blijft in de nakoming van zijn verplichting (…).
5.6.
Niet is gebleken dat aan deze vereisten is voldaan. Hoist stelt dat zij [gedaagden] bij inleidende dagvaarding in gebreke heeft gesteld en daarom gerechtigd is het saldo ineens op te eisen. Maar de dagvaarding is niet aan te merken als een ingebrekestelling, omdat [gedaagden] daarin niet een redelijke termijn voor de nakoming wordt gesteld zoals bedoeld in artikel 6:82 vanPro het Burgerlijk Wetboek (BW). Een ingebrekestelling heeft de functie om, voordat tot algehele opeising wordt overgegaan, de schuldenaar nog een laatste termijn voor nakoming te geven en aldus nader te bepalen tot welk tijdstip nakoming nog mogelijk is zonder dat van een tekortkoming sprake is, bij gebreke van welke nakoming de schuldenaar vanaf dat tijdstip in verzuim is. De sommatie in de dagvaarding om het openstaande saldo binnen acht dagen te betalen voldoet niet aan de aan een ingebrekestelling te stellen eisen, omdat enerzijds die termijn niet redelijk is en anderzijds in dezelfde dagvaarding meteen tot opeising is overgegaan. Dat strookt niet met de functie van de ingebrekestelling en ook niet met de bepaling van artikel 9a dat de ingebrekestelling aan de opeising vooraf moet gaan.
5.7.
De conclusie is dat de grondslag de vordering niet kan dragen. De kantonrechter zal de vordering van Hoist daarom afwijzen. Gelet op deze uitkomst hoeven de verdere standpunten van partijen geen bespreking, behalve het volgende.
vergoeding wegens schending zorgplicht?
5.8.
[gedaagden] verzoekt, voor het geval de kantonrechter in zijn voordeel beslist, om hem een vergoeding wegens het schenden van de zorgplicht toe te kennen. De kantonrechter wijst dat verzoek af. In de eerste plaats omdat niet is gebleken dat de zorgplicht is geschonden. Het staat vast dat VoordeelBank/InterBank voorafgaand aan de totstandkoming van de kredietovereenkomst informatie over de financiële omstandigheden van [gedaagden] heeft ingewonnen. Deze informatie bestaat onder meer uit loonstroken, bankafschriften en arbeidscontracten (zie dagvaarding, productie 4). Daarnaast staat vast dat VoordeelBank/InterBank de kredietaanvraag heeft beoordeeld op basis van de door haar gehanteerde criteria (zie de checklist). Daarbij is rekening gehouden met het feit dat de [gedaagde 1] 70% inkomen genoot en met de maandlasten. Hiertegenover heeft [gedaagden] zijn stelling dat het onverantwoord was om het krediet te verstrekken, niet deugdelijk onderbouwd. In de tweede plaats wijst de kantonrechter het verzoek af, omdat een eventuele schending van de zorgplicht niet betekent dat [gedaagden] bevrijd is van zijn eigen betalingsverplichting. Daarvoor is bijvoorbeeld nodig dat de kredietovereenkomst wordt vernietigd of ontbonden, nakoming wordt gevraagd of een beroep wordt gedaan op verrekening van een eigen (schade)vordering. [gedaagden] heeft hierover niets gesteld. Ter zitting heeft hij desgevraagd aangegeven geen tegenvordering te hebben. Hij heeft ook niet gesteld of onderbouwd wat zijn eventuele schade is.
5.9.
De proceskosten komen voor rekening van Hoist, omdat zij hoofdzakelijk ongelijk krijgt. Omdat [gedaagden] in persoon procedeert, zal de kantonrechter deze op nul stellen.
6.De beslissing
De kantonrechter:
6.1.
wijst de vordering af;
6.2.
veroordeelt Hoist tot betaling van de proceskosten, die tot en met vandaag voor [gedaagden] worden vastgesteld op nihil.
Dit vonnis is gewezen door mr. I.H. Lips en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.