Uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
[verzoeker] , te [woonplaats] , verzoekster
(gemachtigde: R. Roos).
Rechtbank Noord-Holland
Verzoekster heeft een voorlopige voorziening gevraagd tegen het besluit van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) om haar geen WIA-uitkering toe te kennen vanwege een arbeidsongeschiktheid van minder dan 35%. Het primaire besluit dateert van 20 november 2020 en het bezwaar is op 27 mei 2021 ongegrond verklaard. Verzoekster stelde dat zij recht heeft op de uitkering en vroeg de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 13 juli 2021 behandeld en onmiddellijk daarna mondeling uitspraak gedaan. De rechter overwoog dat een voorlopige voorziening alleen wordt toegekend als er sprake is van onverwijlde spoed. In financiële geschillen is dat slechts zelden het geval, omdat het geschilbedrag na afloop van de bodemprocedure alsnog kan worden betaald, eventueel met rente.
In deze zaak is geen acute financiële nood vastgesteld. Verzoekster ontvangt toeslagen en wordt door familie ondersteund, en er zijn geen betalingsachterstanden. Daarom ontbreekt het spoedeisend belang en wijst de voorzieningenrechter het verzoek af. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang.